Het Oostelijk Partnerschap is een bevoorrecht nabuurschap van de EU. Dat betekent een vrijhandelszone, geen visumplicht of goedkopere visa, beurzen voor studenten en steun voor verenigingen en stichtingen. Precies halverwege het Poolse voorzitterschap van de EU, eind september, en een week voordat er parlementsverkiezingen worden gehouden in Polen, zijn de leiders van de 27 lidstaten en van de zes Oostelijke buurlanden in Warschau bijeen om het Partnerschap nieuw leven in te blazen. Tot nu toe zijn de verantwoordelijke functionarissen in Brussel erin geslaagd het project te verpakken in modellen van samenwerking, speerpuntprojecten, activiteiten, pijlers, zones en andere thematische platforms. Dat alles wordt onderbouwd met verschillende financiële middelen, alles bij elkaar voor een bedrag van enkele miljarden euro’s. Desondanks is het hele mechanisme niet goed op gang gekomen. En niets wijst erop dat de top van Warschau er een impuls aan zal geven. Aan wie ligt dat? Vooral aan de EU.

Sommige EU-landen schitteren door afwezigheid

Het Partnerschap zag twee jaar geleden in Praag het licht, maar de aanwezige Europese leiders waren vooral gekomen om op de foto te gaan met de nieuwe Amerikaanse president, Barack Obama, die als eregast voor deze top was uitgenodigd. De Oosterburen van de EU speelden slechts een ondergeschikte rol in de besprekingen, die hoofdzakelijk gingen over de verhoudingen tussen Europa en Amerika en Rusland, het ineenstorten van de financiële markten, de oorlogen in Irak en Afghanistan en de klimaatveranderingen. Overigens waren de leiders Frankrijk, Italië en Spanje, de drie landen die een concurrerend project hebben opgezet voor Middellandse Zeelanden (Unie voor het Middellandse Zeegebied), niet in het kasteel van Praag, Hrandcany aanwezig.

Waarschijnlijk zullen sommige landen ook bij deze top in Warschau schitteren door afwezigheid. De regeringen van de meeste lidstaten hebben immers wel urgentere kwesties om op te lossen. De eurozone zit in een crisis, Griekenland staat op het punt failliet te gaan en het blijft onzeker wat de gevolgen zijn van de Arabische Lente.

Eerlijk gezegd doen de partnerlanden het nauwelijks beter. In Wit-Rusland heeft president Loekasjenko, na een kort bestand, opnieuw zijn toevlucht genomen tot de [aggressieve] ‘Spetsnaz-methodes’ [een term waarmee de Russische speciale troepen worden aangeduid] in zijn communicatie met de oppositie. Hij heeft gebroken met Europa. In Azerbeidzjan heeft Illham Alijev zich weten de verzekeren van het presidentschap voor het leven, dat hij van zijn vader heeft geërfd. Armenië laat zich leiden door het Poetinisme. In Georgië heeft president Saakasjvili de democratische verworvenheden van de Rozenrevolutie verkwanseld. En in Oekraïne zit Joelia Timosjenko gevangen. Ze is overgeleverd aan rechters die ondergeschikt zijn aan de pro-Russische president. Moldavië mag het van deze groep landen dan wel het beste doen, maar dit land sleept het conflict in Transnistrië met zich mee en alle zonden van een jonge democratie, met op de eerste plaats de wijdverbreide corruptie.

Ook de Verenigde Staten tonen geen belangstelling voor deze regio

De Europese Unie moet steeds vaker met andere landen concurreren om haar Oosterburen. Bovendien is de EU de enige die voorwaarden stelt aan haar hulp of aan bepaalde voorrechten, zoals het openstellen van markten, het instemmen met Europese normen en het respecteren van de democratie en de rechten van de mens. Uiteraard stellen Rusland, Turkije, Iran en China dergelijke eisen niet. Anderzijds leidt het gebrek aan belangstelling van de Verenigde Staten voor dit deel van de wereld ertoe dat de landen in de regio steeds minder gemotiveerd zijn om nauwere banden met het Westen aan te knopen. Dit staat in schril contrast tot alle aandacht die uitging naar Polen, Hongarije, Tsjechië, Slowakije en de Baltische staten, toen die landen aan hun transformatie begonnen.

In Oekraïne is de steun om toe te treden tot de EU van 65% in 2002 gedaald tot het huidige niveau van 51%. Vanuit Minsk was Moskou altijd al dichterbij dan Brussel of Berlijn. Nieuw is in dit verband dat Peking voortaan ook dichterbij is dan ooit. In Armenië en Azerbeidzjan denkt niemand aan toetreding tot de Europese Unie, behalve misschien een handjevol pro-Westerse intellectuelen. In de Kaukasus zijn de meeste tweedehands auto’s afkomstig uit Dubai, niet uit Duitsland. Het bekendste en meest geambieerde welvaartsmodel is ook dat van Dubai, terwijl Europa en zijn waarden tot iets abstracts zijn verworden.

De zes partners richten een steeds kritischer blik op de EU wat ze te bieden heeft. De vrijhandelszone vormt een bedreiging voor de lokale landbouw, die het zonder royale subsidies moet rooien. Op het gebied van democratie beschuldigen zowel president Loekasjenko als de Kaukasische oppositie de EU er unisono van met twee maten te meten: Azerbeidzjan heeft veel olie en gas en wordt dus niet lastig gevallen, terwijl Wit-Rusland, dat veel armer is, wordt gestraft. Toch zou de oppositie in Bakoe meer te beklagen zijn dan die in Minsk.

Om het project van het Oostelijk Partnerschap nieuw leven in te blazen zou de EU een daadkrachtig signaal moeten afgeven aan de bevolking in Oost-Europa. Dat zou ze bijvoorbeeld kunnen doen door de visumplicht voor inwoners van Oekraïne, Moldavië en misschien zelfs van Rusland op te heffen. Dankzij diplomatieke inspanningen van Polen kon de Russische achterdocht met betrekking tot het project worden doorbroken, al blijft Moskou de landen die onder het Oostelijk Partnerschap vallen beschouwen als nabije vreemdelingen, die zich onttrekken aan zijn exclusieve invloedssfeer.

Het succes van het Partnerschap hangt echter niet af van een opwelling van Rusland, maar van een oprecht belang dat de EU eraan zou moeten hechten. En daar ontbreekt het nu deerlijk aan.