In de jaren zeventig en tachtig van de vorige eeuw is de herinnering aan 17 oktober 1961 gehuld in dikke nevelen. Wie herinnert zich dan nog dat er op een dag in de herfst mannen, vrouwen en kinderen die in de straten van Parijs met hele families, maar ongewapend demonstreerden en door de politie met kolfslagen om het leven zijn gebracht, levend in de Seine zijn gegooid of opgehangen in de bossen zijn teruggevonden? "Het is gewoon een van de zeldzame keren sinds de 19e eeuw dat de politie in Parijs het vuur heeft geopend op arbeiders", constateert historicus Benjamin Stora. In de daaropvolgende weken werden er tientallen lichamen van Algerijnen met opgezwollen gezichten uit de Seine gevist. Benjamin Stora denkt dat er bij deze onderdrukking wel 100 doden zijn gevallen, de Britse historicus Jim House “minstens” 120 of 130 en Jean-Luc Einaudi, schrijver van het boek La Bataille de Paris (De strijd van Parijs) meer dan 150.

Die dag demonstreerden de "Franse moslims uit Algerije" na een oproep van de Franse tak van het FLN [Nationale bevrijdingsfront van Algerije] tegen het uitgaansverbod dat hen door de politieprefect in Parijs, Maurice Papon, was opgelegd. Meer dan 20.000 mannen, vrouwen en kinderen, die normaal gesproken in de sloppenwijken aan de rand van de stad bivakkeerden, liepen vreedzaam door de straten van het Quartier Latin, over de grote boulevards en langs de Champs-Élysées. De politie trad op met buitensporig veel geweld: bij de uitgang van de metro en op straat stonden agenten de demonstranten op te wachten om ze af te rossen en te beledigen. "De zwaksten, die al onder het bloed zaten, werden gewoon doodgeknuppeld, ik heb het zelf gezien ", vertelde Saad Ouazen in 1997.

Hoewel de demonstranten geen enkele weerstand boden, werden tientallen van hen door kogels gedood terwijl anderen verdronken in de Seine. In totaal werden meer dan 11.000 Algerijnen gearresteerd en overgebracht naar stadions, het Palais des Sports of Pierre-de-Coubertin. Daar zaten ze een aantal dagen op elkaar gepakt onder afschuwelijke hygiënische omstandigheden en werden heftig geslagen door politieagenten, die hen "vuile soepjurken" en "rot-Arabieren" noemden. In het Palais des Sports durfden de geterroriseerde gevangenen niet meer naar de wc te gaan omdat de meesten van hen die dat wel deden daar waren gedood. De volgende ochtend beweerde de prefectuur dat er officieel drie doden te betreuren waren, twee Algerijnen en een Parijzenaar. Daarmee begon de leugen, die al snel werd verhuld door het grote zwijgen. Dat zwijgen zou meer dan 20 jaar duren.

Algerijnen waren 'onzichtbaar' in de Franse samenleving

Benjamin Stora is nauwelijks verbaasd dat maar zo weinig mensen zich nog iets weten te herinneren van het bloedbad van 17 oktober 1961. "In die jaren heerste er [in Frankrijk] nog ongelofelijk veel onwetendheid over mensen die ‘inboorling’ of' ‘immigrant’ werden genoemd, dat wil zeggen de ander. Als mensen zo'n wereldbeeld hebben, is het toch logisch dat ze nauwelijks zijn geïnteresseerd in immigranten die in de sloppenwijken rond Parijs wonen? Algerijnen waren ‘onzichtbaar’ in de Franse samenleving."

Bij deze onverschilligheid van de publieke opinie kwam dat de overheid in de maanden na 17 oktober pogingen ondernam om de zaak in de doofpot stoppen. Verhalen waarin de officiële versie aan de kaak werd gesteld werden gecensureerd. De amnestie die werd verleend in het kader van de onafhankelijkheid van Algerije in 1962 bekrachtigde het zwijgen van de Franse samenleving: alle aanklachten werden geseponeerd.

Ondanks het grote zwijgen bleef de herinnering aan 17 oktober hier en daar leven, gefragmenteerd, duidelijk zichtbaar, ondergronds. Uiteraard is de herinnering bij Algerijnse immigranten in de regio rond Parijs nog altijd springlevend. “Die mannen spraken er onderling wel over maar de meeste van hen hebben de herinnering aan deze gebeurtenis niet doorgegeven aan hun kinderen", vertelt de Britse historicus Jim House. “In de jaren 80 wisten ze dat hun kinderen in Frankrijk zouden blijven wonen en vreesden ze dat ze de toekomst van hun kinderen op het spel zouden zetten door hen te vertellen onder welk politiegeweld ze hadden geleden."

Pas toen de tweede generatie Algerijnse immigranten volwassen was geworden, was de tijd rijp om de herinneringen eens grondig op te rakelen. Deze jongeren hebben op een Franse school gezeten, ze zijn Frans staatsburger met stemrecht, maar ze denken dat de vooroordelen en de afkeurende blikken waar zij het slachtoffer van zijn te maken hebben met de Algerijnse oorlog.

Langzaam maar zeker ontwaakte de herinnering: in de jaren tachtig begon Jean-Luc Einaudi aan een enorme onderzoeksklus. Op de dag dat zijn boek werd gepubliceerd, dertig jaar na 17 oktober, volgde de schok: La Bataille de Paris, waarin de gebeurtenissen per uur worden beschreven, maar ook het grote zwijgen dat daarop volgde, leidde tot een discussie over de onderdrukking van de Algerijnen.

Er ontbreekt nog één stukje: erkenning door de staat

Dankzij dit boek en nog enkele andere boeken begint de herinnering aan 17 oktober 1961 door te dringen bij het grote publiek. Daarnaast wordt de herinnering aan 17 oktober nog gevoed door twee documentaires: Le Silence du fleuve (De zwijgende rivier) van Agnès Denis en Mehdi Lallaoui in 1991 en Une journée portée disparue (Een verloren gewaande dag) van Philip Brooks en Alan Hayling. De autoriteiten hielden in die tijd echter altijd de officiële versie aan.

Na historici en activisten die de herinnering levend wilden houden, kwam ook justitie in beeld: tijdens het proces in Bordeaux in 1997 van Maurice Papon, de voormalig leider onder het Vichy-regime, stonden de rechters lang stil bij 17 oktober 1961.Geconfronteerd met Jean-Luc Einaudi gaf de vroegere politieprefect uiteindelijk toe dat er "15 of 20 doden” zijn gevallen tijdens deze "beklagenswaardige avond”, maar dat hij die toeschreef aan afrekeningen tussen Algerijnen onderling. Voor het eerst maakte de regering een gebaar: premier Lionel Jospin stelde de archieven open. Hij concludeerde in 1998 dat er tenminste 32 doden waren gevallen en baseerde zich daarbij op het enige beschikbare register, dat van het gerechtelijk-geneeskundig instituut. Het grootste deel van de archieven van de prefectuur en van de waterpolitie bleken op mysterieuze wijze te zijn verdwenen.

Twee jaar later besloot Maurice Papon om Jean-Luc Einaudi te vervolgen wegens smaad. Dit keer gaf Papon een dertigtal doden toe, maar de rechtbank stelde hem in het ongelijk: de rechters constateerden uit erkentelijkheid voor het "serieuze, adequate en volledige" karakter van het werk van Jean-Luc Einaudi dat "een relatief groot aantal leden van de ordetroepen extreem geweld heeft gebruikt onder invloed van een wil om wraak te nemen".

Daarmee was de officiële versie van de gebeurtenissen van 17 oktober aan flarden en was het de hoogste tijd geworden voor herdenking. Tijdens de 40e herdenkingsdag in 2001 onthulde de burgemeester van Parijs, Bertrand Delanoë, op de Pont Saint-Michel een plaquette "ter herinnering aan de vele Algerijnen die gedood zijn tijdens de bloedige onderdrukking van de vreedzame demonstratie van 17 oktober 1961". In de regio rond Parijs staan deze herfstdagen in het collectieve geheugen gegrift dankzij een twintigtal plaquettes en gedenkstenen. De legpuzzel van het collectieve geheugen kon uiteindelijk worden gereconstrueerd, maar voor velen ontbreekt er toch nog een stukje: erkenning door de staat. De website Mediapart heeft hiervoor op 12 oktober een oproep gedaan: [un appel pour la reconnaissance officielle de la tragédie du 17 octobre 1961 à Paris ]