Mensen die de eurocrisis in het hart hebben gesloten, kunnen gerust zijn: we houden die crisis voorlopig nog wel even. De besluiten van de laatste EU-top zullen deze crisis niet direct doen verdwijnen. Enerzijds hebben de mensen die onze politici daarvoor verantwoordelijk houden gelijk. Anderzijds missen ze daardoor het inzicht dat de politiek met een reusachtige, echt bestaande tegenstrijdigheid te kampen heeft, die voortvloeit uit de logica van het systeem zelf en die zich ook niet zo gemakkelijk van tafel laat vegen.

Uitgangspunt is de vaststelling dat de eurolanden te veel schulden zouden hebben. De kredietverstrekkers van die landen, de financiële markten, komen tot hun oordeel op basis van telkens dezelfde criteria: zekerheid en rendement. Lidstaten hebben te veel geleend, maar dat kun je ook omdraaien: financiële markten hebben te veel uitgeleend. Daarmee moet de schuld van de huidige misère niet bij beleggers worden neergelegd, maar er moet op het basisprobleem worden gewezen: de schulden van de lidstaten vormen het vermogen van banken, verzekeringsmaatschappijen en beleggingsfondsen. De financiële rijkdom in de wereld bestaat voor een groot deel uit staatstoezeggingen om te betalen, waarbij intussen wordt getwijfeld aan de geldigheid daarvan. Dat betekent dat de financiële markten te veel staatsschuld hebben vergaard. Ze hebben kortom te veel kapitaal, veel meer dan het nog zou kunnen opleveren.

Regeringen redden banken met geld dat ze niet hebben

In het kapitalisme komen dergelijke situaties wel vaker voor. Ook de industrie produceert regelmatig goederen die onverkoopbaar blijken. De oplossing voor dit probleem is ook altijd dezelfde: waardedaling. Goederen en fabrieken worden voor een schijntje verkocht of vernietigd. In de huidige crisis dient het echter juist niet tot deze waardedaling te komen. Algemeen wordt namelijk gevreesd dat een groots opgezette vernietiging van financieel kapitaal landen en banken de afgrond in zou duwen. “Besmetting“ wordt dat gevaar genoemd en dat blijft net zo lang dreigen als de financiële markten ervoor blijven vrezen. De politiek grijpt nu naar een andere oplossing in een poging de markten te kalmeren. Enerzijds wordt getracht via radicale bezuinigingsmaatregelen te zorgen dat lidstaten weer gaan deugen als rendabele beleggingsmogelijkheid en dat de enorm opgelopen schuldenberg daardoor weer betrouwbaar wordt. Er wordt tegemoetgekomen aan de wens van kredietverstrekkers om een garantie te krijgen op hun beleggingen. Als borgstellers treden echter dezelfde landen op aan wier kredietwaardigheid wordt getwijfeld. Regeringen moeten nu landen redden, banken in veiligheid brengen en het verdwenen vertrouwen in hun financiële kracht terugkopen met geld dat ze niet hebben. **Deze tegenstrijdigheid speelt nu al maanden. Daarmee belandt de vertrouwenscrisis in een vicieuze cirkel, die op korte termijn waarschijnlijk alleen kan worden doorbroken als de Europese Centrale Bank als borgsteller zou bijspringen. Alleen de ECB kan immers in theorie onbeperkt bedragen inzetten. De weigering van met name Duitsland om deze rol toe te kennen aan de ECB wordt gevoed door het optimisme dat deze crisis ook zonder "nucleaire optie" kan worden beëindigd. Vandaar dat nog meer bezuinigen, het kwijtschelden van de Griekse schuld, hogere kapitaalreserves voor banken en de uitbreiding van het noodfonds (EFSF) het vertrouwen van de financiële markten in de kredietwaardigheid van Europa nu moeten zien te herstellen. Het is nog maar de vraag of dat gaat lukken. **Met elke maatregel spreekt de politiek zichzelf tegen ****Elk van deze maatregelen heeft het in zich om het wantrouwen verder te voeden. Met het kwijtschelden van de Griekse schulden herziet de politiek immers haar oude standpunt dat radicale bezuinigingsmaatregelen effect sorteren. Met de herkapitalisatie van de banken spreekt ze haar eigen toezegging tegen dat het banksysteem sterk genoeg is. Met de volmacht van het noodfonds om banken te ondersteunen herroept de politiek haar eigen bewering dat deze herkapitalisatie voldoende is om banken crisisbestendig te maken. Met de uitbreiding van het noodfonds komt ze terug op haar oordeel dat het bij deze crisis uitsluitend gaat om het probleem van een paar kleine lidstaten zonder degelijke begroting. Met de ophoging van het noodfonds naar steeds nieuwe miljardenbedragen weerlegt ze de bewering dat de eurozone uiteindelijk geen gevaar loopt. En met de permanente strijd om de kosten van de redding van de euro, met de bedenkingen tegen euro-bonds en een sterker aandeel van de ECB, met strenge voorschriften voor steunmaatregelen, kortom: met het voortdurend benadrukken van de voorwaarden voor haar hulp weerspreekt ze haar eigen verklaring dat ze onvoorwaardelijk alles zal doen om de euro te redden.********