Als we door de Britse kranten van de afgelopen week bladeren, valt op dat er steeds vaker sprake is van een zeldzame politieke ondersoort: de "technocraat”. Tot de prominente technocraten behoren onder andere de Italiaanse premier Mario Monti en de Griekse premier Lucas Papademos, die volgens de kranten in deze topfuncties zijn beland om dictaten van hun “betaalmeesters” in Duitsland en Frankrijk uit te voeren.

De term “technocratie” stamt van de Griekse woorden “tekhne”, dat vaardigheid betekent, en “kratos”, dat macht betekent. Daarmee beloven technocraten letterlijk dat ze “probleemoplossers” zijn, politici die besluiten nemen op basis van hun expertise of hun specialistische kennis over een bepaald onderwerp in plaats van dat ze daarmee een bepaalde belangengroep of politieke partij tevreden willen stellen.

De term wordt gewoonlijk toegeschreven aan technicus William H. Smyth uit Berkely, Californië, in 1919, hoewel het idee dat een land zou moeten worden georganiseerd en spiritueel geleid door industriële topmannen en wetenschappers in plaats van door de kerk, feodale landeigenaren of militairen, al terug te voeren is op de vroege socialistische denker Saint-Simon.

Toch kunnen we gerust stellen dat technocratie ooit een schitterend idee was volgens internationale linkse kringen. In de dertiger jaren van de vorige eeuw was het in Amerika bijvoorbeeld geen scheldwoord, maar een programma voor een nieuwe sociale utopie.

In de loop van de decennia daarna kreeg technocratie een omstreden reputatie. Verering van de industriële vooruitgang en de ongecontroleerde heerschappij door bureaucraten werden het handelsmerk van totalitaire regimes in nazi-Duitsland en de Sovjet-Unie. George Orwell beschreef technocratie als een voorbode van fascisme. Adolf Eichmann was immers ook een technocraat?

Nederland doet vaak een beroep op technocraten als onderhandelaars

In veel Europese landen heeft de term technocraat nog altijd een positieve betekenis. In de jaren vijftig voorzag Jean Monnet groei als iets waarvoor expertise noodzakelijk was, geen partijpolitiek. Kleinere democratieën, zoals Nederland, doen vaak een beroep op technocraten om op te treden als onderhandelaars tussen tegendraadse coalitiepartijen of tussen werkgevers en werknemers.

België, dat al 17 maanden en voorlopig ook nog wel zonder regering zit, is een paradijs voor technocraten en heeft de crisis tot nu toe aardig goed doorstaan. In de vroegere communistische landen van Midden- en Oost-Europa speelden technocraten een belangrijke rol in de onderhandelingen over de overgang van een autoritair regime naar democratie.

Kevin Featherstone, hoogleraar Europese politiek aan de London School of Economics, suggereert dat “er in Europa op dit moment wel eens minder technocraten aan de macht zouden kunnen zijn dan in de jaren negentig van de vorige eeuw.” In Italië is het beslist niets nieuws, aangezien Giuliano Amato, hoogleraar rechten, tot premier werd benoemd nadat Italië in 1992 uit het Europese Monetaire Stelsel was verbannen.

Carlo Azeglio Ciampi, voormalig secretaris-generaal van de Banca d’Italia, net als econoom Lamberto Dini, werd nooit gekozen, maar benoemd door de president om toe te zien op de hervormingen. De situatie in Griekenland ligt weliswaar anders, maar met Xenophon Zolotas had het land in de periode 1989-1990 ook een niet gekozen interim-premier.

Zou de Britse gezondheidszorg niet beter bestuurd worden door technocraten?

Groot-Brittannië zou daarop wel eens de enige uitzondering kunnen zijn. Hier koketteerde alleen Labour in de jaren zestig van de vorige eeuw kort met technocratie. Betekent dit dat technocratie beter is dan democratie? Natuurlijk niet. Toch zou het wel de moeite waard zijn te bedenken dat een tijdelijk zakenkabinet in crisistijd best een acceptabel en misschien zelfs ook noodzakelijk onderdeel van het democratische proces zou kunnen vormen. Zouden wij de Britse gezondheidszorg liever laten besturen door technocraten (deskundigen) in plaats van door politici en voorstanders van de vrije markt? Ik denk het wel. Zouden we meer vertrouwen hebben in het oordeel van Britse ministers als de meesten van hen niet direct vanaf de collegebanken waren overgestapt naar de politiek? Ik denk het wel.

“Technici” zullen misschien nooit helemaal apolitiek zijn, maar waarschijnlijk wel aanzienlijk minder politiek dan de mensen die in de politiek zijn gegaan om politicus te worden. En wat nu als technocraten alleen maar politici zijn zonder veel charisma of zonder dure PR? “In de politiek dient middelmaat niet te worden versmaad” schreef de Duitse auteur (en EU-scepticus) Hans Magnus Enzensberger ooit. “Er is geen behoefte aan grootsheid.

Dit alles wil nog niet zeggen dat het goed gaat in de eurozone, en hiermee ontkennen we ook niet dat de EU nu worstelt met een imagoprobleem bovenop de financiële ellende, dat Angela Merkel miserabel werk heeft geleverd door niet te komen met een geloofwaardig plan om de crisis op te lossen en dat Griekenland en Italië verkiezingen zouden moeten houden zodra de rust weer iets is wedergekeerd. Boven alles willen we hiermee niet suggereren dat Groot-Brittannië geen vraagtekens zou moeten zetten bij de mantra van "meer Europa". Maar het zou wel kunnen helpen om te proberen te begrijpen dat er op het Europese vasteland op andere wijze politiek wordt bedreven, voordat we overhaast advies gaan geven.