Het is nog niet veel, wat we over de drie uit Thüringen stammende rechts-radicalen Beate Z., Uwe M. en Uwe B. weten. En toch kan ik me een voorstelling van ze maken: als ik van het platteland was gekomen en niet uit de stad, als niet alleen mijn vader, maar ook mijn moeder na de Wende in de problemen was gekomen, als de stoere jongens op mijn school hun laarzen met witte en niet met rode schoenveters (witte staan voor nazi’s; rode staan voor communisten, nvdr) hadden dichtgebonden, als hun grote broers in Leipzig-Connewitz geen huizen hadden gekraakt en galerieën hadden geopend, maar buitenlanders bij bushaltes in elkaar hadden geslagen – misschien was ik dan ook wel op dit hellende vlak terecht gekomen, dat in de meeste gevallen vrij onschuldig begint en toch in een catastrofe kan eindigen. Nu zijn er tien mensen gedood.

En zo kan ik me niet aan de indruk onttrekken dat er niet zo heel veel is dat mijn levensloop onderscheidt van die van de drie gewelddadige neonazi's. Ze zijn ongeveer net zo oud als ik. En het leven halverwege de jaren negentig was nu eenmaal zo in Oost-Duitsland: op de een of andere manier ruw, cynisch en zonder houvast. Alsof de lethargie, de zinloosheid en de schijnheiligheid van de jaren tachtig in de DDR, samen met de teleurstellingen van de tijd na de Wende, in ons jong-volwassenen belichaamd werden.

Als scholier moest je na de val van de Muur al beslissen, of je links of rechts was. Andere smaken waren er niet. Dienovereenkomstig kleedde je je, ging je naar kroegen en clubs, en nam je aan demonstraties deel. Je had best veel vrienden en kennissen, die al eens een auto hadden gestolen of brand hadden gesticht in een leegstaand huis, drugs hadden gebruikt of een wapen onder hun bed hadden verstopt.

Een steeds grotere afkeer van het debat over Oost-Duitsland

De schrijver Clemens Meyer uit Leipzig heeft deze tijd in zijn roman “Als wir träumten” (“Toen wij droomden”) heel precies beschreven. Hij werd bejubeld, omdat hij een portret had geschilderd van de zogenaamde 'onderlaag,' maar in werkelijkheid waren velen van ons zo. Met een onderlaag had dit weinig te maken, eerder met een gevoel verloren te zijn, dat veel meer omvatte dan het gevoel van slechts één enkel individu.

De onnozelsten van ons trokken de binnenstad in en stalen daar kleren of fietsen. Dat was natuurlijk heel puberaal. Maar het kon ertoe leiden dat het de proporties te buiten ging: in september 1997 legden de drie toen nog in Jena wonende daders namelijk hun eerste bom. Voor het plaatselijke theater vond de politie een staafbom, gevuld met tien gram TNT.

Het is eigenaardig, dat deze toch eenvoudige geschiedenis van het afglijden nu niet wordt verteld. Dat niet wordt gevraagd hoe het kwam dat deze jongeren zo konden radicaliseren, dat hen zelfs de term “ondergrondse” legitiem voorkwam. Deze vragen zouden echter het debat over Oost-Duitsland weer oprakelen, waar we in de loop der jaren een steeds grotere afkeer van hebben gekregen. Het is al zo vaak misgelopen: in plaats van dat debat open en zelfkritisch te voeren in beide delen van het land, werden over en weer beschuldigingen geuit, vocht Oost tegen West en omgekeerd, ging het eerder om ideologieën dan om biografieën, en ging daarachter zoiets als 'herkomst-racisme' schuil. Nu is bij de “Zwickauer cel” dat wat voor iedereen zonneklaar is een taboe geworden: men vraagt zich niet meer af, waarom negen van de tien slachtoffers op het grondgebied van de oude Bondsrepubliek aan hun einde zijn gekomen. Of dat niet méér dan louter toeval was.

Oost-Duitsland kent een eigen verloop van de geschiedenis

In plaats daarvan discussiert men over het falen van de veiligheidsdiensten. Dat moet ook worden opgehelderd, zonder enige twijfel. Maar hebben niet ook hun leraren, ouders en vrienden, en de politiek en de instituties, allemaal gefaald? Kun je je niet met evenveel recht afvragen op welk punt en op welk moment deze kinderen het verkeerde pad op zijn gegaan? Kinderen, waarvan we graag aannemen dat ze bij de generatie horen die als winnaar uit de hereniging te voorschijn is gekomen.

Maar met de aanduiding "Braune Armee Fraktion" is al een naam gevonden, een label, dat de discussie in het slot gooit nog vóór zij goed en wel is begonnen. Nu lijken de Oost-Duitse neonazi's de kinderen van een West-Duitse beweging, waarmee zij überhaupt niets te maken hebben. De aanduiding "Braune Armee Fraktion" is geen toeval. Zij legt veeleer hetzelfde bekende perspectief bloot: ook dit keer is het weer de geschiedenis van de oude Bondsrepubliek die zich aan ons opdringt. De geschiedenis van de RAF, die zich nu weliswaar in een nieuw soort escalatie presenteert, mag zich dan louter als Oost-Duitse, bruine variant herhalen. Maar is het werkelijk een generatieconflict, dat aan de gewelddaden van deze groep ten grondslag ligt? Zijn er niet veel meer verschillen dan overeenkomsten tussen de West-Duitse ouders van na de oorlog en de Oost-Duitse ouders van na de Wende?

Op al deze vragen zullen wij echter geen antwoord krijgen, als we niet langzamerhand beginnen te geloven in een eigen Oost-Duits verloop van de geschiedenis, dat al eerder begint dan in 1989 en méér omvat dan de hereniging. We moeten beginnen ook deze geschiedenis te vertellen en daarmee nieuwe maatschappelijke en politieke realiteiten scheppen. Dan zouden we op het tegenovergestelde uitkomen van een ondergrondse.

Een Engelse versie van dit artikelis eerder verschenen in de Guardian-rubriek Comment is Free in het kader van een samenwerkingsverband tussen Presseurop, The Guardian en Freitag.