Zij die de afgelopen weken de belangrijkste buitenlandse kranten hebben gelezen, krijgen het gevoel dat deze er niet in slagen om ons land te begrijpen en er dus op een objectieve manier over te kunnen berichten. Meestal wordt Italië gezien als folkloristisch en oppervlakkig, en wordt het op lompe wijze, met een nauwelijks verholen superioriteitsgevoel, moralistisch en onachtzaam geanalyseerd : de aloude minachting voor les Italiens/the Italiens/los Italianos wordt afgewisseld met een opzichtige aristocratische achteloosheid.

Maar dat Berlusconi aan de macht is, door uiteraard belangenverstrengeling en zijn enorme macht in de media, maar ook en vooral omdat hij concrete en reële belangen van verschillende bevolkingsgroepen behartigt en garandeert, wordt door de kranten nooit uitgelegd. En laten we niet vergeten dat er geen alternatieve politieke stroming is die in staat zou zijn om een anders en meer overtuigend beeld van Italië kan bieden.

Deze situatie is gunstig voor een verbond tussen het anti-Italianisme van de buitenlandse commentatoren en het elitisme van een deel van de Italiaanse intelligentsia, die van haar land houdt, en dat land tegelijkertijd afwijst omdat ze zou willen dat het anders was. Deze elite houdt alleen van de Italianen wanneer ze met niet al te veel zijn, wanneer ze een elegante, schreeuwerige en verlichte minderheid vertegenwoordigen, die zich verplaatst op het ritme van het beroemde lied van cabaretier Giorgio Gaber : ”Ik voel me niet Italiaans, maar gelukkig, of helaas, ben ik het wel”, twijfelend tussen een nostalgisch opportunisme en een gecultiveerde hang naar het ‘qualunquisme’ [verwijzing naar de na-oorlogse poujadistische Italiaanse beweging L’Uomo qualunque].

"Wie tegen mij is, is tegen Italië"

Niemand weet of de neergang van Berlusconi is begonnen, maar als dat het geval is, zal het zeker een langzaam proces worden, dat bezaaid zal zijn met obstakels, zoals de populistische uitspraak van de Cavaliere aantoont : ”Italië is met mij, dus wie tegen mij is, is tegen Italië; wie kwaad spreekt over Berlusconi, spreekt kwaad over Italië”. Of : ”de buitenlandse kranten bespotten Italië, maar de democratie, de overvloedige productiviteit van het land en de president zijn één: het is kiezen of delen”.

Als we er eens goed naar kijken wordt de anti-Berlusconi houding van de buitenlandse pers gevoed door een diepe afkeer van Italië – een oude, culturele factor. De president, met zijn manoeuvres, doet er niets aan om dit te weerleggen, en dit is koren op de molen voor de buitenlandse commentatoren. Of ze nu als stierenvechter optreden, de degen hanteren of als bij een klopjacht te werk gaan: de prooi blijft Italië. En het zou merkwaardig kunnen klinken, maar er is nog een element in het spel: de jaloezie jegens een land dat, ondanks alles, succesvol is.

Jaloezie jegens een succesvol Italië

Als we de Europese geschiedenis van de afgelopen vijftig jaar bestuderen, zien we dat er even eenvoudige als onverklaarbare dingen zijn gebeurd : Italië is de zevende economische wereldmacht, en dit terwijl het land een oorlog heeft verloren en twintig jaar dictatuur heeft gekend. In dezelfde periode hebben Frankrijk en Engeland hun eeuwenoude rijken zien instorten, hun buitenlandse politiek werd gevoed door dromen van overwinningen en besluiteloosheid. En dan hebben we het nog niet eens over Spanje, dat zijn rijk nu al drie eeuwen geleden is kwijt geraakt en dit nog altijd niet lijkt te beseffen ondanks de instorting van de onroerend goedmarkt. Er is iets dat de buitenlandse waarnemers ontgaat: tussen het Italië van Berlusconi die in alle toonaarden beweert dat hij het slachtoffer is van een gemediatiseerde staatsgreep door de rechterlijke macht, en zijn tegenstanders die het autoritaire regime aan de kaak willen stellen, staat de grote meerderheid van de Italianen, die verontwaardigd zijn omdat hun land de risee van de internationale publieke opinie is, en die tegelijkertijd sceptisch staan tegenover de argumenten van de regering.

Het anti-Italië-gevoel dateert niet van gisteren, want de crisis van de natie-staat gaat natuurlijk niet samen met een afzwakking van de etnische stereotypen die sinds eeuwen worden voorgebracht en die ervoor zorgen dat we elkaar nog altijd vol onbegrip blijven gadeslaan. Er bestaan kaarten van de Europese politiek, maar ook mentale, psychologische en antropologische kaarten waarop de onzichtbare maar onverbiddelijke grenzen getrokken zijn door gemeenplaatsen en oude rivaliteiten die nooit zijn gesust.