Wat is er nou eigenlijk in Europa gebeurd tussen de val van de regeringen van Griekenland en Italië en de nederlaag die Spaans links bij de verkiezingen van afgelopen zondag heeft geleden? Was er sprake van een ommekeer in de reeks politieke veranderingen die de financiële crisis voortdurend proberen bij te benen? Of hebben we zelfs bijgedragen tot het verergeren van deze crisis door een onomkeerbaar proces voor de instellingen in gang te zetten en de manier waarop deze gelegitimeerd zijn? Hoewel er nog vele vraagtekens zijn, moeten we toch het risico nemen om de balans op te maken.

De gebeurtenissen rond de verkiezingen (zoals die zich over zes maanden wellicht in Frankrijk zullen afspelen) behoeven geen uitgebreide toelichting. We hebben ingezien dat de kiezers de regeringen verantwoordelijk houden voor de groeiende onzekerheid waarin het leeuwendeel van de burgers van onze landen tegenwoordig verkeert en dat zij zich niet te veel illusies maken over hun opvolgers (ook al moeten we dat beeld voor Italië bijstellen, want na Berlusconi is het begrijpelijk dat Monti momenteel alle populariteitsrecords breekt).

De dictatuur van de commissarissen

De meest serieuze kwestie betreft de verandering op institutioneel vlak. De reeks regeringsleiders die onder druk van de markten zijn afgetreden waardoor de rentepercentages van leningen aan sterke schommelingen onderhevig zijn, de vestiging van een Frans-Duits bestuur binnen de EU en de introductie van ‘technici’ in verband met de internationale financiële wereld, die worden geadviseerd door of onder toezicht staan van het IMF, roepen uiteraard discussies, emoties en ongerustheid op en vragen om rechtvaardigingen.

Een van de meest frequente thema's is dat van de ‘dictatuur van de commissarissen’ wat inhoudt dat de democratie wordt opgeschort teneinde de mogelijkheid ervan opnieuw te scheppen – een begrip dat door Bodin is gedefinieerd toen de moderne staat vorm begon te krijgen en waarover Carl Schmitt later een theorie heeft opgesteld.

De commissarissen van tegenwoordig mogen geen militair of jurist zijn, maar moeten econoom zijn. Dat is wat de een columnist van Le Figaro schreef op 15 november: “De reikwijdte en duur van de mandaten [van de heren Monti en Papademos, red.] moeten voldoende uitgebreid zijn willen ze doeltreffend kunnen zijn. Maar tegelijkertijd moeten ze worden ingeperkt om ervoor te zorgen dat we onder de best mogelijke omstandigheden kunnen terugkeren naar de democratische legitimiteit. We moeten ervoor waken dat men kan zeggen dat Europa slechts over de ruggen van de volkeren tot stand is gekomen.

De revolutie is al gaande

Toch geef ik de voorkeur aan een ander gezichtspunt, namelijk dat van een ‘revolutie van bovenaf’ die de leiders van de dominante naties en de ‘technostructuur’ van Brussel en Frankfurt onder druk (van de aangekondigde val van de eenheidsmunt) zouden pogen. We weten dat het begrip ‘technostructuur’, dat door Bismarck is geïntroduceerd, een verandering van de structuur van de ‘materiële regeringsvorm’ inhoudt. Dus van het machtsevenwicht tussen de maatschappij en de staat en tussen de economie en de politiek, voortvloeiend uit een ‘preventieve strategie’ van de kant van de leidende klassen.

Is dat niet wat er momenteel gaande is met de neutralisering van de parlementaire democratie, de institutionalisering van de begrotingscontroles en het belastingwezen door de EU en de heiligverklaring van de belangen van de banken in naam van de neoliberale orthodoxie? Deze veranderingen zijn waarschijnlijk al lang geleden ingezet, maar waren nog nooit opgeëist namens een nieuwe configuratie van de politieke macht.

Wolfgang Schäuble had dus geen ongelijk toen hij de verkiezing van de voorzitter van de Europese Raad via algemene verkiezingen als een ware revolutie presenteerde waardoor de nieuwe constructie een democratische uitstraling kan krijgen. Behalve dan dat er een revolutie gaande is, of althans in grote lijnen is geschetst.

Een institutionele configuratie stelt markten niet gerust

Maar laten we er geen doekjes om winden: het is nog allerminst zeker dat dit initiatief zal slagen. Er bevinden zich nog drie obstakels op de weg waarvan de gevolgen elkaar kunnen versterken zodat een nog grotere crisis kan ontstaan, wat het einde van Europa als collectief project zou betekenen.

Het eerste obstakel heeft te maken met het feit dat per definitie geen enkele institutionele configuratie de markten gerust kan stellen – de codenaam om speculaties een halt toe te roepen – aangezien speculatie zowel wordt gevoed door de risico’s van een faillissement als door de mogelijkheden van winsten op de korte termijn.

Dat is het principe van de verspreiding van afgeleide producten en van de spread van de rentepercentages van leningen. De beleggingsinstellingen die shadowbanking in stand houden hebben de behoefte om de nationale begrotingen aan de rand van de afgrond te brengen, maar de banken hebben juist de behoefte om op de staten (en belastingbetalers) te rekenen in geval van een liquiditeitscrisis. Beide vormen echter een uniek financieel circuit.

Zolang de schuldeneconomie, waardoor onze maatschappijen voortaan van boven tot onder geregeerd worden, niet ter discussie wordt gesteld, zal er geen enkele levensvatbare oplossing zijn. De huidige ‘governance’ sluit dit echter a priori uit, ook al zou daarvoor alle groei voor onbepaalde duur opgeofferd moeten worden.

De tegenstellingen worden steeds groter

Het tweede obstakel is dat de tegenstellingen binnen Europa steeds groter worden. Niet alleen is een Europa van twee snelheden nu al een feit, maar ook zal er in de toekomst sprake zijn van een Europa van drie of vier snelheden dat op elk ogenblik in elkaar zou kunnen storten. Van de landen die geen deel uitmaken van de eurozone zullen sommige (de toeleveranciers van de Duitse industrie in het oosten) op zoek gaan naar meer integratie, terwijl andere landen (Groot-Brittannië voorop), ondanks hun afhankelijkheid van de eenheidsmarkt, gedwongen zullen worden om hun lidmaatschap op te zeggen of op te schorten.

Wat het mechanisme van sancties betreft die zijn aangekondigd tegen de slechte leerlingen die zich niet aan de begrotingsregels houden, zou het een illusie zijn om te denken dat hierdoor slechts enkele perifere landen getroffen zouden kunnen worden. We hoeven maar te kijken naar Griekenland, dat op sterven na dood is en zich op de rand van een opstand bevindt, als we ons een voorstelling willen maken van de gevolgen indien dezelfde methoden op heel Europa worden toegepast.

En last but not least heeft het Frans-Duitse ‘bestuur’, dat al op zijn grondvesten trilde door het meningsverschil over de rol van de centrale bank, maar bar weinig kansen om zich in deze beproevingen te verstevigen, ondanks de verkiezingsbelangen van diens leden, en met name van de Franse president.

Verlamming democratische reflexen

Maar het obstakel dat het moeilijkste te overwinnen zal zijn, bevindt zich aan de zijde van de publieke opinie. De chantage met chaos en de permanente dreiging van een afwaardering van de kredietstatus kunnen de democratische reflexen waarschijnlijk verlammen. Ze kunnen de noodzaak om een sanctie in te stellen op de veranderingen die vastgelegd moeten worden door middel van een herziening van de verdragen, ook al is deze nog zo ‘beperkt’, niet tot sint-juttemis uitstellen. En iedere raadpleging kan zich tegen het project keren, zoals al in 2004 het geval was. Bij de crisis van de strategie komt nog de crisis van de representatie, die zich ook al in ver gevorderd stadium bevindt.

Het mag dan ook geen verbazing wekken dat tegengeluiden gehoor krijgen. Maar deze komen uit tegenovergestelde richtingen. Sommigen (zoals Jürgen Habermas) breken een lans voor een ‘sterkere Europese integratie’, maar beweren dat deze alleen levensvatbaar is indien deze een drievoudige ‘herdemocratisering’ bevat: de politiek in plaats van de financiële wereld weer op de eerste plaats stellen, controle van de centrale besluiten door een versterkte parlementaire vertegenwoordiging en de terugkeer naar solidariteit en het terugbrengen van ongelijkheden tussen de Europese landen.

Hoe zal de burgeropstand zich verder ontwikkelen?

Anderen (zoals de Franse theoretici van de deglobalisering) zien in de nieuwe governance het resultaat van de onderwerping van de ‘soevereine’ volkeren aan een supranationale constructie die alleen ten goede komt aan het neoliberalisme en zijn strategie van ‘opeenhoping door bezitsonteigening’. De eerste groep critici is duidelijk ontoereikend en de tweede loopt het gevaar nationalistische gevoelens te kweken die xenofoob kunnen zijn.

De grote vraag is hoe de ‘opstand van de burgers’ zich verder zal ontwikkelen. Jean-Pierre Jouyet [hoofd van de autoriteit financiële markten in Frankrijk die is belast met het toezicht op de beurs van Parijs, red.] verkondigde enkele dagen geleden zonder omhaal dat deze revolte een hoge vlucht zal nemen tegenover de ‘dictatuur van de markten’ waarvan de regeringen de instrumenten zijn.

Zal de opstand zich tegen de grensoverschrijdende ‘instrumentalisering van de schuld’ keren, of zal deze in ‘de Europese constructie als zodanig’ een middel zien dat erger is dan de kwaal? Zal de opstand, overal waar de macht door de bestrijding van de crisis in feite en in rechte geconcentreerd is, proberen tegengestelde machten te creëren die niet alleen constitutioneel maar ook autonoom zijn en zo nodig oproepen tot verzet?

Zal de opstand genoegen nemen met de eis dat de oude nationale en sociale staat, die momenteel door de schuldeneconomie wordt ondermijnd, hersteld moet worden of zal men op zoek gaan naar socialistische en internationalistische alternatieven, de grondslagen van een economie van gebruik en activiteit, op de schaal van de mondialisering waarvan Europa in wezen slechts een provincie is?

We kunnen er wel een weddenschap op afsluiten dat de uitbreiding en verspreiding door Europa van ongelijkheden en de gevolgen van de recessie (in het bijzonder werkloosheid) de bepalende factor zullen vormen om deze vragen te beantwoorden. Maar of hiervoor al dan niet de symbolische middelen worden gegeven, hangt af van het vermogen van de intellectuelen en de opstandelingen om de situatie te analyseren en hun verontwaardiging te uiten.