Alles lijkt momenteel mogelijk in Europa: ineenstorting of doorbraak, decadentie of renaissance. De een heeft het over de ondergang van de euro, de ander over een geheel nieuwe mate van integratie. Komt er nu een einde aan de solidariteit of wordt die door de invoering van euro-obligaties of het ongelimiteerd aankopen van staatsobligaties door de Europese Centrale Bank juist nog verder uitgebreid?

Nog niet eerder waren we zo dichtbij een 'binnenlands beleid' voor Europa; de nieuwe regeringen van Spanje, Italië of Griekenland zullen voor de Duitsers oneindig veel belangrijker zijn dan de nieuwe Grote Coalitie in de deelstaat Berlijn. Tegelijkertijd brengt deze ongewone nabijheid venijn en gevaar met zich mee, zoals blijkt uit het stuntelige opschepperige gepraat van Volker Kauder (de fractievoorzitter van de CDU in de Duitse Bondsdag) over de dominantie van Duitsland, en de daaropvolgende geagiteerde reactie vanuit Londen. Het is te merken dat Europa op een drempel staat, op een keerpunt. Het is het juiste ogenblik om naar de zin van iets te informeren.

"Geen atoombom??"

Het helpt als je daartoe een stap terug zet, misschien wel één van een paar duizend kilometer. Het tafereel speelt zich af in een coffeeshop in de Pakistaanse stad Lahore. De Duitse bezoeker heeft lang genoeg vragen over Pakistan gesteld, nu is het de beurt van zijn gesprekspartner om vragen over Duitsland te stellen. Eén daarvan houdt hem bijzonder bezig. De Duitsers zijn toch zo beroemd als ingenieurs? Ja. Dan zouden ze toch zeker ook fantastische wapens moeten kunnen bouwen? Ja, dat zou best eens kunnen. “Maar waarom hebben jullie dan geen atoombom? De Britten en de Fransen hebben die ook. Hoe verdragen jullie het dat die anderen de bom wel hebben, en jullie niet?”

In de wereld waarin hij leeft, is het antwoord volkomen ongehoord: dat een eigen kernwapenprogramma in Duitsland helemaal geen thema is. Het met kernwapens uitgeruste buurland, dat is voor Pakistan de aartsvijand India. Voor ons is dat Frankrijk, maar zijn kernwapens laten ons helemaal koud. Wij maken ons geen zorgen over zijn bewapening, maar wél over zijn kredietstatus, en we zijn niet zozeer bang dat deze status te goed is, maar juist dat die wel eens te slecht zou kunnen zijn. Daardoor wordt een geschiedenis van eeuwen op zijn kop gezet. Voor 90 procent van de mensheid is dat onvoorstelbaar.

Natuurlijke solidariteit binnen de 'familie'

Het post-heroïsche ontwapeningsbeleid dat de Europeanen de afgelopen decennia hebben ontwikkeld, is niet alleen maar het gevolg van hun oorlogszuchtige verleden. Het is een gemeenschappelijke levensvorm, een omgangsvorm tussen staten en volkeren, die door de crisis met een nieuw terrein is uitgebreid: dat van de economie en de staatsbegrotingen. Voor deze levensvorm geldt een schijnbaar braaf en sentimenteel, nogal Helmut Kohl-achtig, maar zeer treffend beeld: dat van Europa als één grote familie.

En 'familie' betekent dat hier sprake is van een natuurlijke solidariteit, die haar kracht niet verliest door slecht gedrag. Geen enkel economisch wanbeleid kan van de Grieken 'vreemden' maken. Maar iedere familie heeft natuurlijk wel zo haar eigen methoden om morele druk uit te oefenen op haar zwarte schapen en de drankzuchtige neef tot een ontwenningskuur te dwingen. Ook is het niet fijn van verwanten afhankelijk te zijn. Het kan zelfs veel onaangenamer zijn dan de afhankelijkheid van een bank. De merkwaardige mengeling van gemoedelijkheid en meedogenloosheid, waarmee de Franse president Nicolas Sarkozy en de Duitse bondskanselier Angela Merkel de regeringsleiders van de staten met een groot begrotingstekort op de G20-top in Cannes tegemoet traden, draagt onmiskenbaar familiaire trekjes, en aan dit soort ‘tough love’ laat niemand zich graag onderwerpen.

Het einde van de diplomatie

Met het familiemodel is daarom ook nog iets anders verbonden: je zou het het einde van de diplomatie kunnen noemen. De familie is een zone van betrekkelijke vormloosheid: men laat zich weinig aan de hoffelijkheid gelegen liggen. Deze directheid kenmerkt ook in toenemende mate de omgangsvormen in Europa. Hoe onverkwikkelijk, deels zelfs stuitend de over en weer vliegende beschimpingen over luie Zuid-Europeanen, egoïstische Britten of heerszuchtige Duitsers ook zijn, het is tegelijkertijd ook de uitdrukking van een nieuwe intimiteit. De een regeert al lang met de ander mee, heeft de hand in de staatskas of de voet op de rem. Als je er zulke nauwe betrekkingen op nahoudt, is de kans groot dat je elkaar zo nu en dan pijn doet.

Maar dat is helemaal geen terugval in de 19de eeuw, geen terugkeer van welke oude demonen uit de tijd van de wereldoorlogen of daarvóór dan ook. Het is het knarsen, sissen en rammelen dat nu eenmaal hoort bij een toekomstexperiment. De gangbare, officiële Europese strategieën werken daarentegen eerder met angst en dwang, met geschiedfilosofische automatismen en met wereldhistorische intimidatiescenario's.

Het succes van de Europese Unie en haar politieke filosofie is geenszins gegarandeerd. Integendeel: de tegenkrachten zijn sterker dan ze tientallen jaren zijn geweest. Maar het Europese project is iets bijzonders – een historische uitzondering. Vanuit Lahore, op een gespleten en van wapens bezeten subcontinent, waar mannen nog mannen en bommen nog bommen zijn, kijkt men in ieder geval met onverholen verbazing naar dit Europa. Maar ook met een beetje nieuwsgierigheid en verlangen.