"De euro mag dan wel op springen staan, dat betekent niet dat je er je voordeel niet mee kunt doen", las ik gisterochtend in een advertentielink op de website van The Irish Times. De toon van deze stelling, die zoveel afwijkt van de eerbied waarmee deze zaken normaliter worden benaderd, haalde me over te klikken.

Het bleek een advertentie te zijn voor de dagelijkse nieuwsbrief van een website, met daarin "alleen maar nieuws waar u uw voordeel mee kunt doen". Inschrijvers werd beloofd 'inside' informatie te krijgen over op handen zijnde ontwikkelingen in de eurocrisis. Het dreigende "buigpunt" – het moment waarop de marken volledig op hun kop staan – zou ingewijden "prachtige winstkansen" bieden. Vul die zakken maar!

Bij mij wekte het lezen van de advertentie een vreemd, onaangenaam gevoel op. Het herinnerde me er niet alleen aan dat zaken zelfs bij rampen altijd doorgaan, maar ook dat een ramp mogelijkheden voor lucratieve handeltjes biedt. Je verwacht dergelijke dingen niet te lezen op de commentaarpagina's of bij de ingezonden brieven, maar hier stond het toch, gericht aan hetzelfde publiek: de onverbloemde, keiharde denkwijze van "de markten".

Je kunt niet meer over een entiteit als "land" spreken

Op de voorpagina van de gedrukte versie van The Irish Times van dezelfde dag stond een verslag met de kop "Europa zal Ierland nog lang na de redding kritisch blijven bekijken". Maar wat is in deze context "Ierland"? De kop impliceerde een doorsnee gemeenschap, met gezamenlijke belangen: het idee dat een aantal aparte "wij" midden in de pijn van een wederkerig geworden situatie zitten. Maar worden met deze "gemeenschap" ook degenen bedoeld die een "prachtige winstkans" zien in gebeurtenissen die anderen mogelijk dodelijke ramspoed brengt?

De eurospeculatie-advertentie herinnert ons eraan dat er in deze context geen "wij" is die het waard is om over te praten, dat de hardnekkigheid van een dergelijk idee over een collectieve uitdaging een laatste restje fantasie is, gebaseerd op een nostalgisch gevoel voor de werkelijkheid. Niet alleen is een morele uitnodiging ietwat ongeloofwaardig in een land dat zichzelf heeft overgegeven aan de wereldeconomie, maar je kunt gewoonweg niet langer over een dergelijke entiteit als "land" spreken.

In economisch opzicht zijn er tegenwoordig alleen nog de tegenstrijdige belangen van deelnemers die de winnaars willen worden van een spel waarmee toevallig ook het reële lot van reële mensen die reële levens leiden, wordt bepaald.

Dit is wat het woord "economie" is gaan betekenen. Onze media – allemaal commerciële bedrijven – zitten in de 'business' die ons moet informeren over wat er gaande is. Maar ze zijn teveel verstrikt geraakt in de dualistische absurditeit van een economische werkelijkheid: ze spreken tegelijkertijd tot een ingebeelde algemene bevolking die verondersteld wordt te lijden onder de ontwikkelingen, terwijl ze ondertussen veelbetekenend knikken naar de steeds dikker wordende gieren die dreigend boven hun hoofden rondcirkelen.