De jaarlijkse VN-kerstmarkt over klimaatverandering is weer aan de gang, dit jaar in Durban. Europa lijkt daarbij weinig geleerd te hebben van de conferentie in Kopenhagen, waar het Europese idealisme hoofdoorzaak was van de mislukking.

De ontwikkelingslanden gingen volledig mee in de Europese benadering, wezen eigen verantwoordelijkheid af, wilden schadevergoeding van de geïndustrialiseerde landen vanwege klimaatverandering (uiteraard zonder voorwaarden aan de besteding van de gelden), en eisten draconische reducties van broeikasgassen in de geïndustrialiseerde landen.

De olie-exporterende landen bouwden hun slachtofferrol uit door tevens compensatie te willen vanwege vermindering van hun exporten. De ontwikkelingslanden speelden rupsje-nooitgenoeg; grote vervuilers als Rusland, de VS en China haalden hun schouders op.

De nieuwe realiteit heeft weinig veranderd in de Europese visie

De wereld is veranderd; grote ontwikkelingslanden worden nu te hulp geroepen om de euro te redden. Deze nieuwe realiteit heeft weinig veranderd in de Europese visie op klimaatverandering. Het klimaatverdrag uit 1992 heeft als beginsel dat klimaatverandering de gezamenlijke verantwoordelijkheid is van alle landen, dus ook van ontwikkelingslanden. In de uitwerking moet rekening worden gehouden met de specifieke omstandigheden en mogelijkheden van een land. Maar die gezamenlijke verantwoordelijkheid is steeds meer buiten beeld geraakt.

Zo'n boodschap is bepaald niet populair. Want Europa is verslaafd aan het geven van hulp, en ontwikkelingslanden maken daar gretig gebruik van. Er speelt een Europees superioriteitsgevoel mee, dat zich uit in de overtuiging dat je regeringen van ontwikkelingslanden niet op hun verantwoordelijkheden kunt aanspreken.

Zo wordt het normaal gevonden dat een Europees bedrijf dat wordt beschuldigd van milieuverontreiniging in Afrika, niet wordt berecht in Afrika, maar in Europa. Zouden wij dat tolereren bij een verontreiniging door een buitenlands bedrijf in Europoort? Zolang we regeringen in ontwikkelingslanden niet serieus nemen, is internationaal klimaatbeleid gedoemd te mislukken.

Een term als 'klimaatschuld' doet het misschien leuk, maar is daarbij geen zinvol begrip. Het grootste deel van de CO2-uitstoot vond in de loop van de geschiedenis plaats in de geïndustrialiseerde landen, wat alles te maken heeft met de welvaart en de leefomstandigheden in die landen. Die worden daarom hevig benijd en waar mogelijk nagevolgd door een groot deel van de wereldbevolking.

Europa moet van zijn barmhartige-Samaritaanhouding af

In het Kyoto-protocol zijn ook voor Nederland afspraken gemaakt over vermindering van broeikasgassen. Voor ontwikkelingslanden gelden dergelijke afspraken niet. De groei van de bevolking door instroom van mensen uit ontwikkelingslanden heeft het voor Nederland moeilijker gemaakt om de Kyoto-doelstelling te halen. CO2-uitstoot door bijvoorbeeld Turken of Marokkanen telt niet mee in die landen, maar wel wanneer ze in Nederland wonen. Moeten wij ons dan druk maken als we de Kyoto-doelstelling niet halen?

We zullen in Europa afscheid moeten nemen van het mengsel van superioriteits- en verantwoordelijkheidsgevoel, schuld-syndroom en barmhartige-Samaritaanhouding. Een realistischer benadering zal uiteraard op verzet stuiten van gevestigde opinies en belangen, zowel in Europa als elders. Maar een andere aanpak biedt wel degelijk kansen.

De sleutel ligt bij versnelde inzet van technologie in Noord en Zuid. Internationale samenwerking zal daarvoor versterkt moeten worden. Juist op het gebied van technologie zou Europa, en zeker ook Nederland, wel het voortouw moeten nemen.