Het idee om een uitgeverij te beginnen was afkomstig van Zdena Salivarová-Škvorecká. Voordat zij in 1969 Tsjecho-Slowakije verliet, had ze al literair succes gekend met de publicatie van haar sprookjesboek Pánská jízda [De mannentocht, niet vertaald in het Nederlands]. Ook had ze enkele Franse boeken vertaald. Ze had een rol gespeeld in de films O slavnosti a hostech [The Party and the Guests] van Jan Němec, en Farářův konec [The End of a Priest] van Evald Schorm, twee belangrijke werken uit de Nouvelle Vague. Ze trad op als zangeres in het theater Paravan en was begonnen aan een studie dramaturgie aan de [film- en televisie-academie] FAMU in Praag. Van de ene op de andere dag belandde Zdena in Toronto, waar haar man, Josef Škvorecký, de kans kreeg aan de universiteit te doceren. Inmiddels had het Tsjecho-Slowaakse regime een ´consolidatie´-proces in gang gezet [of ´normalisatie´: ´terug naar de communistische norm´, nadat in augustus 1968 de Praagse Lente de kop was ingedrukt]. Omdat al snel duidelijk werd hoe meedogenloos het bewind daarbij te werk ging, realiseerden Zdena en Josef Škvorecký zich dat zij onmogelijk naar hun land konden terugkeren.

Fragmenten uit het eerste boek hadden schandaal veroorzaakt

**Het eerste boek dat zij uitgaven, in november 1971, was Tankový prapor [Tankbataljon, in het Engels vertaald als The Republic of Whores, red.]. Zoals uit de ondertitel bleek, was deze “chroniek van een periode van afgoderij” [de verering van de marxistisch-leninistische goden] in 1955 geschreven door Josef Škvorecký, gebaseerd op zijn ervaringen in het leger. Natuurlijk was er in die tijd nooit sprake van geweest om het manuscript te publiceren. Pas in de jaren zestig verschenen fragmenten ervan in het magazine Plamen. Dit veroorzaakte een schandaal. In april 1968 tekende Josef Škvorecký een uitgeverscontract met de staatsuitgeverij Československý spisovatel [De Tsjecho-Slowaakse schrijver]. Maar in november 1970 ontving hij een brief van de nieuwe directeur, de dichter Ivan Skála, die hem uitlegde dat de uitgeverij “veranderingen in haar politieke en culturele lijn” had doorgevoerd en dat zijn boek niet zou kunnen worden uitgebracht.

Paradoxaal genoeg leverde dit besluit reclame op voor het nieuwe uitgeversbedrijfje dat net was opgericht** in het verre Canada****. De reputatie van Tankový prapor, een verboden boek dat in opspraak was, trok de aandacht van veel potentiële lezers die na de bezetting van augustus 1968 naar het Westen waren uitgeweken. Zoals Zdena Škvorecká later zou zeggen, was het aan Tankový prapor te danken dat 68 Publishers ontstond.

In het begin werd de uitgeverij volledig door het echtpaar Škvorecký gefinancierd. Zij onvingen geen vergoeding voor hun werk en Josef Škvorecký investeerde er een deel van zijn salaris in dat hij als hoogleraar aan de universiteit verdiende. Hij redigeerde de meeste boeken. Zijn vrouw verzorgde de lay-out van de boeken, evenals het verpakken en verzenden per post en de afhandeling van bestellingen. Al het geld dat de Škvoreckýs met de verkoop van boeken verdienden, staken ze weer in hun uitgeverij. Na verloop van tijd hadden ze bijna tweeduizend vaste en duizend tijdelijke abonnees, die korting kregen op basis van het aantal boeken dat ze bestelden en de termijn waarbinnen ze betaalden.

Achter het IJzeren Gordijn werd gratis bezorgd

**Boeken die bestemd waren voor Tsjecho-Slowakije en andere landen achter het IJzeren Gordijn, werden gratis bezorgd. Het formaat was uniek: pockets van 17,5 x 10,5 cm. In totaal heeft 68 Publishers 224 titels uitgegeven, met een gemiddelde oplage van 1.500 tot 2.000 exemplaren voor proza en 500 tot 1.000 exemplaren voor poëzie. Afgezien van de publicatie van hun eigen boeken heeft 68 Publishers ook de uitgave mogelijk gemaakt van werk van andere Tsjecho-Slowaakse schrijvers in ballingschap, zoals Egon Hostovský, Jiří Gruša, Milan Kundera, Arnošt Lustig, Ferdinand Peroutka en Viktor Fischl.

In 1974 begon 68 ook moderne literatuur van auteurs die in Tsjecho-Slowakije woonden, uit te brengen. Als eerste werd een roman van Karel Pecka uitgegeven: Štěpení. In de catalogus van 1978 kondigden Zdena en Josef Škvorecký aan dat zij ook werk zouden gaan uitgeven van de Praagse illegale uitgeverij Petlice, waarvan Ludvík Vaculík de geestelijke vader was. Op die manier wilden zij de schrijvers in hun oude vaderland steunen, die zo hard werden getroffen door het publicatieverbod dat de ´normalisatie´ met zich meebracht. Zo gaven zij werk uit van met name Ludvík Vaculík, Jan Skácel, Ivan Klíma, Egon Bondy, Václav Havel, Bohumil Hrabal, Lenka Procházková en Jan Trefulka.**

Boeken gesmokkeld in pakken waspoeder

**Om de boeken naar de landen achter het IJzeren Gordijn te smokkelen, werden diverse listen verzonnen. Mensen die toestemming hadden om naar het Westen te reizen, camoufleerden en verborgen de boeken in hun bagage als ze weer terugreisden. Sommigen deden er bijvoorbeeld een kaft van een detective omheen, anderen verstopten ze in pakken waspoeder. Deze boeken waren te koop in Canada, maar ook in de Verenigde Staten, Europa en Australië. Ook via diplomatenkoffers kwamen er pakketjes boeken in Tsjecho-Slowakije aan. Het lezen en in bezit hebben van deze boeken was weliswaar strafbaar volgens de wet, maar dat weerhield de mensen er niet van ze uit te wisselen en te kopiëren. Iedereen die in die tijd boeken van Škvorecký in handen heeft gehad, weet nu nog precies van wie hij ze had gekregen, hoeveel tijd hij had om ze te lezen, welk werk hij heeft gekopieerd of welk boek na een huiszoeking door de StB [de Tsjecho-Slowaakse staatsveiligheidsdienst] in beslag werd genomen.

Ik herinner me nog altijd hoe die boeken aanvoelden, hoe makkelijk ze in je zak gleden en hoe er telkens weer bladzijden uitvielen tijdens de fanatieke nachtelijke leessessies", vertelt de schrijver Jáchym Topol.**

Communisten zagen 68 Publishers als gevaarlijke vijand

**De staatsveiligheidsdienst probeerde via medewerkers van de inlichtingendiensten en aan de hand van verhoren met mensen die het echtpaar Škvorecký in het Westen hadden ontmoet, informatie te verkrijgen over de activiteiten van de uitgeverij en over de manier waarop de boeken Tsjecho-Slowakije binnenkwamen. Een deel van de dossiers is vernietigd. Daarom kan er helaas niet precies worden vastgesteld wat de communistische inlichtingendiensten allemaal wisten over het functioneren van de uitgeverij in Toronto en welke middelen zij tegen het bedrijf hebben ingezet. In ieder geval beschouwde het communistische regime 68 Publishers als een van zijn gevaarlijkste vijanden binnen de kring van ballingen die Tsjecho-Slowakije na augustus 1968 verlaten hadden.

In mei 1989 schreef Milan Kundera over 68 Publishers: “In hun piepkleine uitgeverij met maar twee of drie kamers vond praktisch de hele Tsjechische moderne literatuur een veilig onderdak, zowel van schrijvers uit het land zelf, als van schrijvers die in ballingschap leefden. En omdat deze twee mensen, die op het juiste moment deden wat er gedaan moest worden, ook nog eens uitstekende romanschrijvers zijn, straalt hun uitgeverij een moreel en artistiek gezag uit dat volgens mij bij geen enkele Tsjechische uitgeverij te vinden is. Zij hebben een deel van hun eigen werk opgeofferd om het werk van schrijvers uit hun geboorteland op de kaart te zetten.”**