2011 zal het jaar blijven waarin de Europese Unie voor het eerst aan de rand van de afgrond stond en het onbenoembare werd genoemd. Na tien jaar van introspectie en verdeeldheid was de EU net begonnen aan een inhaalslag om de verloren tijd in te halen zodat zij op mondiaal niveau eindelijk een vinger in de pap zou kunnen hebben. Maar juist op dat moment werd de EU tot algehele verbazing – zowel in Europa als daarbuiten – zwaar getroffen door een wereldwijde economische en financiële crisis waardoor haar grootste succes, de monetaire unie, op losse schroeven kwam te staan. “Als de euro verdwijnt, verdwijnt Europa”, hield bondskanselier Angela Merkel haar partijleden voor op een partijbijeenkomst in Leipzig in november 2011. Zij beschreef de situatie als “de moeilijkste sinds de Tweede Wereldoorlog”. En ze had gelijk, want de gevolgen van een ineenstorting van de eurozone zouden zo groot zijn dat deze maar moeilijk beperkt zouden kunnen blijven tot monetaire kwesties. De interne markt en de belangrijkste gemeenschappelijke beleidspunten, met inbegrip van het buitenlands beleid, zouden zware klappen krijgen, waardoor meerdere decennia van een moeizaam tot stand gekomen Europese constructie teniet gedaan zouden worden.

Dit is duidelijk niet de eerste crisis die de Europese Unie doormaakt, getuige de ‘lege stoel-crisis’ van de jaren zestig, de ‘eurosclerose’ van de jaren zeventig, het begin van de economische en technologische neergang ten aanzien van de Verenigde Staten en Japan in de jaren tachtig, de terugkeer naar concentratiekampen en etnische zuivering in de jaren negentig en de mislukte referendums over de Europese grondwet in Frankrijk en Nederland aan het begin van deze eeuw. Maar geen van deze crises waren existentieel in de letterlijke zin van het woord.

Euro op de rand van de afgrond, Europeanen op de rand van een hartinfarct

Wat waren tot op heden de gevolgen van de eurocrisis? De ravage op het gebied van werkgelegenheid en groei is het duidelijkst zichtbaar en voelbaar en heeft ervoor gezorgd dat er een wijdverbreid wantrouwen is ontstaan ten aanzien van de toekomst van de verzorgingsstaat. Vanwege de crisis begonnen onze samenlevingen ook te twijfelen aan hun democratische systemen, want zij voelen goed aan dat zij de krachten van de markt waarmee zij geconfronteerd worden, niet onder controle hebben. Het is nog te vroeg om vast te stellen wat de psychologische gevolgen van de crisis zullen zijn, maar de geschiedenis wijst uit dat samenlevingen die gebaseerd zijn op angst en een gebrek aan zelfvertrouwen de neiging hebben om in zichzelf te keren, hun buren te wantrouwen, ruim baan te geven aan populisme en vrijheid op te offeren in naam van de veiligheid.

De crisis heeft ook vele zwakheden aan het licht gebracht. De muntunie werd geacht net zo solide te zijn als de imposante gebouwen die op de eurobiljetten prijken, maar in werkelijkheid niet bestaan (was dat misschien een voorteken?). Maar zij bleek niet in staat te zijn om de storm te trotseren, zodat het erop leek alsof zij alleen maar in het leven was geroepen voor tijden waarin er geen vuiltje aan de lucht is. De dunne, maar onmisbare identiteit waaraan Europa zich vastklampt heeft ook te lijden gehad, aangezien de solidariteit en het gemeenschappelijke project – die gebaseerd zijn op een visie die zowel door het verleden als door de toekomst wordt gedeeld – ter discussie staan. Ze zijn zelfs vervangen door de ergste culturele vooroordelen en stereotypen, waarvan we dachten dat we ze al lang geleden achter ons hadden gelaten, tussen noord en zuid, oost en west en katholieken en protestanten. Het managen van de crisis zou een slogan kunnen hebben: “te weinig, te laat”. Gedurende vrijwel het gehele jaar bevond de euro zich op de rand van de afgrond en de Europeanen op de rand van een hartinfarct.

Duitsland en Frankrijk hebben de EU-instellingen links laten liggen

Bezien vanuit de instellingen is de positie van de EU in het bijzonder verzwakt nu Duitsland en Frankrijk zonder omwegen hebben gekozen voor een intergouvernementele werkwijze waarbij ze de Europese instellingen (met name de Commissie en het Parlement) en de zogenaamde communautaire methode – die tot op heden de enige manier bleek te zijn om het evenwicht tussen groot en klein, rijk en arm en noord en zuid te bewaren – links hebben laten liggen.

Terwijl het jaar op zijn einde liep, heeft de Europese Centrale Bank op de valreep voorkomen dat de Europese economie zou instorten door de bancaire markt met liquiditeiten te overspoelen. Zo heeft zij al diegenen gelijk gegeven die beweerden dat de druk op de staatsschuld niet de oorzaak maar het gevolg was van een financiële crisis die, vanwege de fouten in het ontwerp en de werking van de eurozone, de hele EU in haar val heeft meegesleept. Met het besluit van de ECB is de Unie gered, althans voor het ogenblik, maar er is geen oplossing gekomen voor de wezenlijke problemen die nog steeds aanwezig zijn en we in 2012 onder ogen zullen moeten zien.

Het gaat er bovenal om dat we niet in staat zijn om de euro van de EU te scheiden om zo te voorkomen dat het mislukken van de een de val van de ander met zich meebrengt. Als de Grieken en Britten in het komende jaar weer rond de onderhandelingstafel zullen plaatsnemen, zal de EU geconfronteerd worden met hetzelfde dilemma als in 2011: het vertrek van Griekenland uit de eurozone, waarvan de gevolgen rampzalig zullen zijn, of een onomkeerbare breuk met Groot-Brittannië waardoor de eenheid van de interne markt in het geding zou komen en de positie van de EU in de wereld zwakker zou worden.

Alle blikken worden op Duitsland gericht

De toekomst van Europa ligt echter niet in handen van de periferie, in Griekenland en Groot-Brittannië, maar logischerwijs in het centrum ervan. De Duitse regering blijft de crisis benaderen op een wijze die verhindert dat er een oplossing komt, omdat de crisis, zoals we hebben gezien, vereist dat de normen in de eurozone worden gewijzigd en vooral dat de ECB een nieuw mandaat krijgt en dat euro-obligaties worden uitgegeven. In Berlijn moest Angela Merkel zich bewust bezighouden met niet één, maar twee pijlers: een publieke opinie die zeer terughoudend staat tegenover de monetaire unie en een grondwettelijk hof dat vijandig staat tegenover het Europese integratieproject. Deze publieke en gerechtelijke opinie waartegen de bondskanselier zich tracht te beschermen, ligt echter niet aan haar besluiten ten grondslag. Zij en haar partij hebben deze gecreëerd en zij hebben de Duitsers er, in weerwil van de realiteit, van overtuigd dat de euro enkel een slechte zaak voor het land is en zelfs, als we het grondwettelijk hof mogen geloven, een bedreiging voor de Duitse democratie.

Nu de ECB van mening is veranderd en besloten heeft om het financiële systeem te redden, zullen alle blikken op Duitsland worden gericht om erachter proberen te komen in hoeverre Berlijn de touwtjes in Europa in handen zal blijven houden op basis van twijfel, terughoudendheid en angst, of door te steunen op een constructieve en langetermijnvisie van het continent. Wat de Mayakalender ook zegt, de toekomst ligt volledig in handen van Berlijn.