Zo’n honderdduizend betogers waren gisterenavond aanwezig rond het operagebouw, tussen de chicste gebouwen en steegjes van Boedapest, om te protesteren tegen de nieuwe grondwet, een wens van premier Orbán, waar alleen zijn eigen centrumrechtse partij voor heeft gestemd. Ze waren met velen, meer dan verwacht voor een maatschappij die is afgestompt door de economische crisis, maar ze waren net als de jongens van de Paulstraat [verwijst naar De Jongens van de Paulstraat (in het Hongaars: A Pál utcai fiúk, 1906), een zeer populair jeugdboek van de Hongaarse schrijver Ferenc Molnár, nvdr], die vergeefs vochten om een braakliggend stuk land in hun straat. Binnen in het operagebouw vierde de regering namelijk met trots en veel praal de architectuur van de nieuwe staat, die door de internationale gemeenschap met de grond gelijk is gemaakt. Het pakket voorziet dat de Centrale Bank wordt onderworpen aan politieke macht (tamelijk bizar in deze tijden van financiële turbulentie), evenals het Constitutioneel Hof en de media (veel andersdenkende journalisten zijn al ontslagen op grond van de wet die de pers de mond snoert). Ook kunnen de leiders van de huidige socialistische partij met terugwerkende kracht worden vervolgd wegens ‘communistische misdrijven’ van voor 1989. Het pakket bevat nog veel meer details, van wetgeving over Hongaren in het buitenland tot het heterohuwelijk. Het resultaat is een autoritairder en conservatiever land dat zowel de EU als het Amerika van Barack Obama verontrust. Bovendien heeft het IMF onderhandelingen over een monsterlening voor de ingestorte forint stopgezet.

Orbán, een geboren liberaal, maar al vroeg aangestoken door het populisme, en de extreemrechtse Jobbik-partij hebben hun reactionaire gezicht laten zien waardoor het westen volledig werd overrompeld. Wie de romans van Sándor Márai (1900-1989) of Gyula Krúdy (1978-1933) heeft gelezen herkent hierin waarschijnlijk nauwelijks de huidige realiteit. Maar juist die boeken maken duidelijk waar het fascistische gerommel van het nieuwe Hongarije vandaan komt.

Aan de Donau kwam de burgerij te laat op

**Net als veel andere schrijvers die in de korte eeuw [verwijst naar de de periode van 1914 tot en met 1989 beschreven door Eric Hobsbawm, de ‘korte twintigste eeuw’ genoemd, nvdr] geboren zijn, vertelt Marái over de schitterende wereld van de bourgeoisie van het grootse Boedapest van het keizerrijk (zijn meesterwerk heet niet toevallig Bekentenissen van een burger). Intellectuele geestigheid, tolerantie en goede manieren kenmerken de beschaving waarin de hoofdpersoon Elias, een patriot, maar tegelijkertijd ook een natuurlijke en briljante kosmopoliet, op onderzoek gaat. Het mocht niet zo zijn, voor wie geboren was in een met boeken gevuld huis waar men onder elkaar gewoonlijk drie tot vier talen sprak. De burgerij was de motor van het moderne Europa, overal. Ook in Hongarije. Met slechts één probleem: aan de Donau kwam de burgerij, na eeuwen van oorlogen en buitenlandse overheersingen, te laat op. Ondanks de grandeur van het belle époque was de burgerij hier dan ook uiterst kwetsbaar.

Toen Márai zijn boeken schreef, bestond die burgerij al niet meer. Deze was begraven onder de puinhopen van de eerste wereldoorlog, geterroriseerd door een korte, maar bloedige bolsjewistische revolutie en vervolgens lamgelegd door het fascisme van Horthy (1920-1944), die echter wel liefhebber was van symbolen, parolen, pluimen, nationalisten en een feodale mentaliteit. Tijdens de meer dan veertig jaar durende volksdemocratie die na 1948 kwam, is de euthanasie van de burgerij uiteraard voortgezet.

De markteconomie die in 1989 van de ene op de andere dag werd ingevoerd, heeft de middenklasse weer nieuw leven ingeblazen. Dat volstond echter niet. De zwakke forint maakte al gauw een einde aan dromen van welvaart, heropleving en voorspoed zoals in het westen, door de weg vrij te maken voor de angsten en trotse gevoelens waarmee Hongarije eeuwenlang heeft geleefd, ingeklemd tussen het oosten en het westen.**

Vasthouden aan het idee van een Groot-Hongarije

**De waarden van democratie, pluralisme, dialoog en diversiteit lijken overbodig en verwaarloosbaar in het huidige leven waarin men nauwelijks genoeg geld heeft om rond te komen en de rekeningen te betalen. Op zo’n moment ontstaat opnieuw de neiging tot navelstaren, vasthoudend aan de idee van een Groot-Hongarije, wellicht gecombineerd met een enig slachtoffergedrag, vanwege wat gebeurd is in de loop van de geschiedenis, sinds de oorlogen met de Turken, tot de Sovjetinval en het vredesverdrag van Trianon, opgedrongen door Frankrijk dat aan het einde van de Grote Oorlog twee derde van het land afnam.

De oude ziekte van Hongarije steekt de kop op in moeilijke tijden. In plaats van zich deel van het continent te voelen, wijst het land dan op zijn trotse suïcidale anders-zijn, dat nog wordt versterkt door die lieflijke Altaïsche taal die niemand in Europa begrijpt. Toen Orbán de internationale gemeenschap uitdaagde met zijn nieuwe grondwet (“niemand kan ter discussie stellen wat wij doen”) sprak hij ook in die trant. Hervormingen, moderniteit en de markt kunnen wachten. Je kunt je beter verlaten op onbestemde mythen over zuiverheid, gewijde grond (die door de buitenlanders van de globalisering voor een appel en een ei kan worden gekocht) en sterke mannen aan het roer. Opnieuw komt de middenklasse in de verdrukking, door de chaos van de staat en de inflatie. Opnieuw keert de neiging terug om politieke tegenstanders niet te verslaan, maar ze weg te vagen, te vervolgen en het zwijgen op te leggen. Om te voorkomen dat onze Hongaarse neven en nichten opnieuw uit de Europese familie vallen, moeten we echter eerst begrijpen waarom ze ziek zijn geworden.**