**Een nauw pad loopt langs de steile helling omhoog. De grond is grauwzwart en lijkt wel afgeschuurd, overal liggen resten van zakken. “Ik laat de kolen gewoon in een plastic zak van de berghelling afglijden”, zegt Mihai Stoica.

Hij klautert naar boven. Halverwege de helling is een machtige beuk met wortel en al omgevallen. Min of meer daaronder bevindt zich zijn groeve. “Een ingestorte tunnel,” zegt Stoica nuchter. Hij klimt verder omhoog. De plek ligt goed verborgen. Als hier iets met Stoica zou gebeuren en hij zou alleen zijn, dan zou niemand hem vinden. Voorzichtig begeeft Stoica zich in de onderaardse gang, die ongeveer acht meter lang en niet gezekerd is. Soms kraakt het zachtjes. “De berg is onberekenbaar”, zegt hij.**

Een uitkering van 50 euro

**De middendertiger heet in werkelijkheid anders. Hij is bang zijn ware naam te onthullen, want wat hij hier doet, is niet alleen levensgevaarlijk, maar ook streng verboden. Het is illegale mijnbouw. Maar Stoica neemt dat risico graag, want hij wil zijn gezin in de winter niet laten bevriezen.

Stoica was mijnwerker. Hij is al lang werkloos. Thuis heeft hij een vrouw en drie kinderen – in totaal vijf personen, die van een uitkering van omgerekend 50 euro en wat kinderbijslag per maand moeten zien rond te komen. “Hout is heel duur, we hebben daar geen geld voor”, zegt Stoica. “Daarom haal ik hier kolen uit de grond. We kunnen ons huis anders niet warm stoken. Ja, het is verboden, maar uit nood geboren.

In de Ceausescu-tijd dolven 50.000 mijnwerkers in de mijnen van de Jiu-vallei naar steenkool. De meestal ongeletterde arbeiders waren afkomstig uit alle delen van het land, aangelokt door de hoge lonen, want Ceausescu had veel kolen nodig voor zijn reusachtige staalfabrieken en energiecentrales.

Na de val van de dictator behoorden de kompels eerst nog tot de geliefde cliëntèle van de heersende 'hervormde' communisten. Maar in 1997 werden de eerste mijnen gesloten.**

In verval geraakte getto's

**Twee jaar later bracht een mijnwerkersopstand Roemenië bijna tot de staat van beleg: duizenden vertwijfelde kompels marcheerden op naar Boekarest om de regering omver te werpen. De machthebbers zetten pantserwagens in, en Roemenië wist een bloedige strijd nog maar net te voorkomen. De mijnwerkers kregen nog één keer uitstel, maar daarna gingen de meeste mijnen toch definitief dicht.

Vandaag de dag is de Vallei van Jiu een gebied met grote maatschappelijke problemen. Er werken nog ongeveer zesduizend mijnwerkers in de zeven overgebleven mijnen. De staat wil die vóór 2018 ook allemaal sluiten. Er zijn geen langdurige sociale voorzieningen. Maar de ontslagen mijnwerkers en hun gezinnen komen niet meer in opstand. Ze kwijnen weg in de in verval geraakte getto's. Bijna niemand heeft hier nieuw werk gevonden.

Het is een tragische en tegelijkertijd ook absurde toestand als je bedenkt welke mogelijkheden Roemenië heeft om de armoede te bestrijden: het land kan een beroep doen op vele miljarden euro's uit potjes van de Europese Unie, juist ook voor regionale ontwikkeling en economische stimulering. Maar Roemenië benut dat geld tot nu toe nauwelijks – van alle Oost-Europese lidstaten van de EU is het land het slechtst als het aankomt op het aanvragen van projectsubsidies volgens de regels. De uitbetalingstermijn loopt in 2015 af, daarna vervallen alle niet gebruikte bijdragen.

Stoica stamt oorspronkelijk uit een dorp in het zuiden van Roemenië. Zijn ouders waren arme boeren en hadden negen kinderen. In 1992 ging hij als achttienjarige naar de Jiu-vallei, naar het stadje Uricani. Hij begon in de plaatselijke mijn en kreeg in 1997 bij een mijnongeluk een koolmonoxidevergiftiging, die hij maar ternauwernood overleefde. Zijn vrouw dwong hem ontslag te nemen. De regering was net begonnen mijnen in de Jiu-vallei te sluiten en betaalde relatief grote afkoopsommen. Stoica zegde zijn baan op. “Ze hebben beloofd arbeidsplaatsen te scheppen, in meubelfabrieken en het toerisme”, herinnert hij zich. “Alles zou veel beter worden.”**

70% werkloosheid

**Van de afkoopsom betaalden de Stoica's hun schulden bij de elektriciteitsmaatschappij en kochten zij een nieuwe koelkast. Duurzaam werk vond Stoica niet, hij hield zijn gezin met tijdelijke baantjes boven water. In de mijn van Uricani werken vandaag de dag nog 830 mensen. De werkloosheid in het stadje ligt op 70 procent. “Destijds geloofde ik alle beloftes”, zegt Stoica, “maar nu heb ik er spijt van dat ik mijn baan heb opgezegd.”

De Stoica's wonen in een van de vele verwaarloosde woonblokken uit de jaren vijftig in Uricani. Het lijkt alsof het gezin hier slechts tijdelijk is ondergebracht. Er is een bed, een paar stoelen, een tafel, een televisie; aan de muren hangen geen foto's of schilderijen.

Stoica's vrouw Ioana staat bij de kachel en frituurt aardappelschijfjes, het middageten van vandaag. “De Jiu-vallei wordt door velen het tranendal genoemd”, zegt ze, “maar wij kunnen niet kiezen waar we willen wonen. Eigenlijk zouden we onze kinderen graag een goede opleiding geven, maar we leven van dag tot dag.

Het is gaan regenen en het is koud in de woning. Mihai Stoica gaat naar de kelder en haalt kolen om de woning te verwarmen. In een hok liggen wat kolen die hij uit de berg heeft gehaald. Boven, in de kachel, gloeit al snel een vuurtje. Mihai Stoica staart in de vlammen. Hij gaat proberen in Spanje werk in de landbouw te vinden, maar hij weet niet hoe hij aan het reisgeld moet komen. “Het zijn zware tijden”, zegt hij. “De sociale zekerheid van de mensen doet er helemaal niet meer toe. Er is zoveel beloofd en niets gedaan. We voelen ons bedrogen.”**