Sinds een jaar of drie schrijf ik al geen artikelen meer, omdat ik niet meer weet waarover ik nog zou moeten schrijven. Het is allemaal zo klaar als een klontje: de afdanking van de democratie, de toenemende maatschappelijke en economische polarisatie tussen arm en rijk, de ondergang van de verzorgingsstaat, de privatisering en als gevolg daarvan de commercialisering van alle levenssferen enzovoort, enzovoort.

Als je dag in, dag uit waanzin als iets vanzelfsprekends voorgeschoteld krijgt, is het slechts een kwestie van tijd totdat je jezelf als ziek en abnormaal gaat beschouwen. Hieronder doe ik een poging een aantal gedachten op te noemen die mij van belang lijken:

1. Het is een eufemisme om te spreken van een aanval op de democratie. Een situatie waarin het de minderheid van een minderheid wordt toegestaan – en het dus legaal is – om zich ten koste van zware schade aan het algemeen belang te verrijken, is postdemocratisch. De gemeenschap is daar zelf medeschuldig aan, omdat zij niet in staat is gebleken vertegenwoordigers te kiezen die voor haar belangen opkomen.

2. We horen dagelijks dat regeringen “het vertrouwen van de markten moeten zien te herwinnen”. Met markten worden in dit geval vooral beurzen en financiële markten bedoeld, en daarmee dus de spelers die in hun eigen belang of in opdracht van derden speculeren om zoveel mogelijk winst te behalen. Zijn dat niet toevallig dezelfde mensen die de gemeenschap om onvoorstelbare miljardenbedragen getild hebben? En dan zou onze hoogste volksvertegenwoordiging om hun vertrouwen moeten strijden?

3. We zijn terecht verontwaardigd over de term “geleide democratie” van Vladimir Poetin. Waarom hoefde Angela Merkel dan niet af te treden toen ze het had over “marktconforme democratie”?

4. Door het uiteenvallen van het Oostblok groeide een aantal ideologieën uit tot een zo onbetwist politiek overwicht dat mensen dat al snel als een soort vanzelfsprekendheid gingen beschouwen. Daarvan is privatisering een goed voorbeeld. Privatisering werd beschouwd als iets uitsluitend positiefs. Alles wat in het bezit van de gemeenschap bleef, gold als ineffectief en klantonvriendelijk. Zo ontstond een publieke sfeer die er op korte of lange termijn wel toe moest leiden dat de gemeenschap zichzelf uit de macht ontzette.

5. Een andere ideologie die een daverend succs heeft, is die van de groei: “zonder groei wordt het allemaal niets” had bondskanselier Merkel jaren geleden al verkondigd. Als we over de eurocrisis praten, moeten we het ook over deze twee ideologieën hebben.

6. De taal van politici die ons dienen te vertegenwoordigen is al lang niet meer in staat om de werkelijkheid te vatten (een vergelijkbare situatie heb ik destijds al in de DDR meegemaakt). Het is een taal van zelfverzekerdheid, die niet eens opnieuw wordt overdacht als er een tegenargument wordt aangedragen. De politiek is verworden tot een vehikel, een blaasbalg om de groei mee aan te wakkeren. Burgers worden gereduceerd tot consumenten. Groei op zich betekent echter helemaal niets. Het maatschappelijke ideaal zou dan de playboy zijn die in zo kort mogelijke tijd zo veel mogelijk consumeert. Een oorlog zou de groei enorm aanzwengelen.

7. De eenvoudige vragen: “wie heeft daar baat bij?”, "wie verdient eraan?” zijn onkies geworden. Zitten we niet met zijn allen in hetzelfde schuitje? Wie daaraan twijfelt wordt meteen gezien als een klassenstrijder. De maatschappelijke en economische polarisatie van de samenleving geschiedde onder het uiten van de krachtige bezwering dat we allemaal dezelfde belangen zouden hebben. Een rondgang door Berlijn is voldoende. In de betere wijken bestaat het handjevol niet gerenoveerde gebouwen over het algemeen uit scholen, crèches, bejaardenhuizen, zwembaden of ziekenhuizen. In de zogenaamde probleemwijken vallen de niet gerenoveerde openbare gebouwen minder op, omdat we daar armoede kunnen herkennen aan de gaten in het gebit. Tegenwoordig wordt er demagogisch beweerd: we hebben boven onze stand geleefd, iedereen is immers hebberig.

8. Onze gemeenschap werd en wordt door democratisch gekozen volksvertegenwoordigers systematisch met de rug tegen de muur gezet, aangezien ze van haar inkomsten wordt beroofd. Destijds is het hoogste belastingtarief in Duitsland door de regering van bondskanselier Schröder van 53 procent verlaagd tot 42 procent en de fiscale heffingen voor het bedrijfsleven zijn tussen 1997 en 2009 bijna gehalveerd tot 29,4 procent. Het hoeft dan ook niemand te verbazen dat de kas nu leeg is, ondanks het feit dat ons bruto binnenlands product elk jaar weer hoger uitvalt.

9. Een verhaal: wat ons ooit is verkocht als tegenstelling tussen Oost- en West-Duitsland, wordt ons nu als tegenstelling tussen landen voorgespiegeld. In maart was ik in de Portugese stad Porto voor de presentatie van de vertaling van een van mijn boeken. Na een vraag uit het publiek sloeg de tot dan toe vriendelijke en belangstellende sfeer van het ene op het andere moment volledig om. Ineens waren we alleen nog maar Duitsers en Portugezen die als vijanden tegenover elkaar stonden. Het was geen prettige vraag – of wij, en daarmee werd ik bedoeld, Duitsers niet nu met elke euro voor elkaar kregen wat ons destijds met onze tanks niet was gelukt. Niemand uit het publiek ging hier echter tegenin. En ik reageerde plotseling zoals van me werd verwacht, namelijk als Duitser: niemand werd immers gedwongen om een Mercedes te kopen, zei ik beledigd, en ze zouden blij moeten zijn als ze leningen kregen die goedkoper waren dan private leningen. Ik hoorde het krantenpapier letterlijk tussen mijn lippen ritselen.

In het daaropvolgende kabaal kwam ik eindelijk weer bij zinnen. Aangezien ik de microfoon nog in mijn hand had, stamelde ik in mijn gebrekkige Engels dat ik net zo dom had gereageerd als zij en dat we allemaal in dezelfde valkuil stapten als we als Portugezen en Duitsers in een reflex partij zouden kiezen voor onze eigen vlag, net als bij een voetbalwedstrijd. Alsof het nu om Duitsers en Portugezen ging in plaats van om bovenlaag en onderlaag, om de mensen dus die deze situatie zowel in Portugal als in Duitsland hadden veroorzaakt, er goed aan hadden verdiend en dat nog steeds doen.

10. Het zou van democratie getuigen als de politiek door middel van belastingen, wetgeving en handhaving zou ingrijpen in de bestaande economische structuur en de spelers op de markten zou dwingen een koers te gaan varen die verenigbaar is met de belangen van de gemeenschap. Het gaat om de eenvoudige vragen: wie heeft er baat bij? Wie verdient daaraan? Is het goed voor onze gemeenschap? Maar het komt uiteindelijk neer op de vraag: wat voor samenleving willen we? Dat zou voor mij pas ware democratie zijn.

Hier wil ik het bij laten, hoewel ik nog best een paar andere dingen had willen vertellen. Bijvoorbeeld over een professor die zei dat hij weer was teruggevallen op de standpunten waarmee hij de wereld als vijftienjarige zag. Over een onderzoek van de Technische Hogeschool Zürich, waarin de mate van onderlinge verstrengeling van bedrijven werd onderzocht en waarbij ze op het getal 147 uitkwamen. Dat wil zeggen dat 147 bedrijven de wereld hebben verdeeld en dat de vijftig machtigste daarvan banken en verzekeringsmaatschappijen zijn. Ik zou nog graag willen vertellen dat het belangrijk is om jezelf weer in ogenschouw te nemen en op zoek te gaan naar gelijkgestemde mensen, omdat je nu eenmaal niet in je eentje een andere taal kunt spreken. En over het feit dat ik weer zin heb gekregen om mijn mond open te doen.