Dimitris Pavlopoulos heeft een pensioen van 550 euro per maand en geeft ongeveer 150 euro uit aan medicijnen. Door de bezuinigingen op bijdragen in de kosten voor geneesmiddelen ziet hij zich gedwongen te kiezen tussen een liter melk (1,50 euro) of een doktersrecept, want allebei kan hij niet betalen.

Manuel G. is langdurig werkloos en denkt met heimwee terug aan de begintijd van de crisis, toen je nog wel eens 1000 euro per maand kon verdienen. Drie jaar geleden verloor hij zijn kantoorbaan en inmiddels heeft hij geen recht meer op een werkloosheidsuitkering. Omdat hij niet meer bij zijn ouders kan wonen, huurt hij een kamer en doet hij een beroep op de voedsel- en kledingdistributie van een hulporganisatie.

"De vrijwilligers van vroeger vragen nu zelf om hulp"

Het zijn slachtoffers van de crisis: groepen in de samenleving die amper vijf jaar geleden nog tot de middenklasse behoorden of daar net onder zaten, zijn nu de nieuwe armen. Mensen die moeten kiezen tussen een warme maaltijd per dag of het verwarmen van hun huis, tussen het betalen van de hypotheek of het kopen van eten.

Het traditionele beeld van armoede, waarbij al gauw aan bedelarij wordt gedacht, komt door deze voorbeelden volkomen op losse schroeven te staan: armoede wordt hoe langer hoe meer een normaal verschijnsel. "De vrijwilligers van vroeger vragen nu zelf om hulp", verklaart Jorge Nuño, secretaris-generaal van Cáritas Europa.

Volgens de Europese Unie woonden er in 2009 in de zeventwintig lidstaten 115 miljoen mensen die werden bedreigd door armoede en sociale uitsluiting (23,1 procent van de bevolking), "en dan tellen we de 100 à 150 miljoen die op het scherp van de snede leven niet eens mee", zegt Nuño, "want twee maanden zonder werk terwijl je een hypotheek moet aflossen is al genoeg om in de problemen te komen".

In 2007 leefden 85 miljoen Europeanen (17 procent van de bevolking) onder de relatieve armoedegrens. Niet alleen in landen als Griekenland, Spanje of Ierland, "maar ook in Frankrijk, Duitsland of Oostenrijk", aldus Jorge Nuño.

Ieder voorbeeld laat zien waar het misgaat in het systeem: schulden, het verdwijnen van toeslagen in de verzorgingsstaat en werk zonder toekomstperspectief, zoals de miljoenen banen die verloren zijn gegaan in de Spaanse bouwsector.

Twee soorten armoede

Hoe meet je schaarste? Er zijn twee soorten armoede: matig of relatief (60 procent van het gemiddelde nationaal inkomen) en ernstig (40 procent).

"De meeste armen raken steeds verder van deze drempel verwijderd. De armen zijn nog armer geworden en er komen nu mensen naar de voedselbanken die je daar tot nu toe niet zag. Armoede onder kinderen is spectaculair gestegen – in Spanje leeft een op de vier kinderen in armoede – en onder immigranten en jongeren in iets mindere mate", stelt socioloog Paul Mari-Klose van het CSIC [Hoge raad voor wetenschappelijk onderzoek, red.].

"We hebben het dan over te kort komen, over het eind van de maand niet halen of minder dan twee keer per week vlees eten. In Spanje is de armoede echter, net als in Griekenland, Portugal en Italië, niet zozeer wijder verbreid als wel heviger geworden en vooral geconcentreerd in bepaalde bevolkingsgroepen. Tijdens de economische groei stonden veel jongeren al vroeg op eigen benen, maar nu hebben ze het zwaar. In IJsland is de armoede vooral onder jongeren spectaculair toegenomen", voegt Paul Mari-Klose eraan toe.

Uit de statistieken van Eurostat over armoede en uitsluiting blijkt dat de crisis vanuit landen als Portugal, Ierland, Griekenland en Spanje, maar ook vanuit Oost-Europese landen die nog maar kort deel uitmaken van de EU, onze kant op komt; steeds bredere lagen van de bevolking in lidstaten met een sterke economie krijgen ermee te maken en schoolvoorbeelden van de verzorgingsstaat gaan ten onder, zoals IJsland na het failliet van zijn banksysteem.

Politieke consequenties

Het Europese gemiddelde verhult echter grote verschillen. Volgens Eurostat is de risicogroep in Bulgarije (46,2 procent) en Roemenië (43,1 procent) bijna twee keer zo hoog. Aan het andere eind van het spectrum bevinden zich Tsjechië (14 procent), Nederland (15,1 procent) en Zweden (15,9 procent). Spanje zit daar met 23,4% tussenin, waardoor het onopgemerkt blijft.

Kinderen en bejaarden, vrouwen en immigranten zijn van oudsher de kwetsbaarste groepen: leeftijd, geslacht en etnische herkomst zijn factoren die de kans op armoede vergroten. Hier komt nu echter in een tijd van bezuinigingen op sociale uitgaven een grote groep doorsneeburgers bij, wat de gevolgen van de crisis verder versterkt.

Het gaat hier om "mensen met zeer slecht betaald werk, die met moeite rondkomen en die bovendien geen enkele hulp krijgen; mensen tussen de 30 en de 45 jaar, al dan niet met een gezin, die geen uitkering krijgen omdat ze een inkomen hebben en zich nu gedwongen zien weer bij hun ouders in te trekken om hun hypotheek te kunnen blijven betalen", aldus Joan Subirats van de Vrije Universiteit van Barcelona. "Voor de andere groepen wordt nog wel gezorgd, maar de middenklasse krijgt geen enkele aandacht."

Dat zo'n grote groep Europese burgers vrijwel in een staat van ondervoeding verkeert, is niet alleen een maatschappelijk probleem, maar heeft ook politieke consequenties, omdat steeds meer burgers aan de rand van de samenleving belanden.

Hoewel de meeste deskundigen waarschuwen dat we de 'nieuwe armen' niet als de enige slachtoffers van de crisis moeten zien en benadrukken dat wie al arm was alleen nog maar armer is geworden, is het ontegenzeglijk waar dat de crisis, na vijftien jaar van welvaart en nieuwe rijken, een laag van de bevolking heeft uitgedund die tot 2007 nog zelf in zijn basisbehoeften kon voorzien.

De nachtmerrie van de nieuwe armen is echter veel complexer

Het grootste probleem in de landen die nog niet zo lang geleden tot de EU zijn toegetreden, is het structurele begrotingstekort dat ze hebben geërfd. In de meeste gevallen gaat het om voormalige communistische regimes die geforceerd zijn omgevormd tot vrije markten, zoals Letland (37,4 procent kans op armoede en uitsluiting), Litouwen, Hongarije, Bulgarije en Roemenië.

In Griekenland is het spookbeeld van de honger inmiddels harde realiteit geworden. De 75-jarige Dimitris Pavlopoulos overleeft dankzij Dokters van de Wereld. Sinds 2010, toen met het eerste bezuinigingsplan talloze toeslagen werden geschrapt, is deze gepensioneerde Griek in tien dagen door zijn pensioen heen en moet hij het hebben van eten en medicijnen die door deze ngo worden uitgedeeld.

Het jaar 2010, Europees jaar van de strijd tegen armoede en sociale uitsluiting, ging onopgemerkt voorbij. Het vormde de afsluiting van de strategie van Lissabon, dat een "beslissende aanzet zou geven tot het uitroeien van armoede", en het begin van de 2020-strategie.

Met de crisis zijn alle goede voornemens echter naar de prullenmand verwezen. Het voornaamste doel van de 2020-strategie, het aantal armen in het komende decennium verlagen naar 20 miljoen, zou wel eens een dode letter kunnen blijken te zijn.