Bepaalde woorden horen nu eenmaal bij Europeanen van het vasteland. Je zult Britten of Amerikanen dan ook niet zo snel horen praten over "solidariteit". Dit woord past bij het in Angelsaksische ogen saaie consensusmodel van sociaal marktkapitalisme en bij de profeten van Europese eenheid. De laatste tijd is deze solidariteit echter geleidelijk aan het verdwijnen. Daarom zitten de euro en de Europese Unie nu ook zo diep in de problemen.

Een nieuwe week, een nieuw noodverband. Met de deal om Griekenland op de been te houden, werd weer iets meer tijd gekocht. Hoofdzaak, zo wordt ons wijsgemaakt, is dat de wond voorlopig niet bloedt. Alweer.

Toch zou het onderhand voor iedereen zonneklaar moeten zijn dat de jongste noodhulp aan Griekenland, in het grotere geheel bezien, van ondergeschikt belang is. Om een rampzalige economische en maatschappelijke ondergang van dit land te voorkomen, zijn twee dingen onontbeerlijk. Ze zijn noodzakelijk, ongeacht of het land in de eurozone blijft of niet. Ten eerste: voldoende politieke vastberadenheid in Griekenland zelf om het land en zijn economie radicaal te hervormen. Ten tweede: wederzijdse bereidheid bij andere Europeanen om Griekenland een gezouten rekening te betalen voor de missers en het bedrog van vroegere Griekse regeringen.

Grieken zien bezuinigingen als straf

De hamvraag is of die voorwaarden kan worden voldaan. De voortekenen zijn niet bepaald bemoedigend. Er zit een volstrekt gebrek aan vertrouwen achter de scheldpartijen die de relatie van Griekenland met de overige eurolanden karakteriseren. Veel Europeanen, en dan heb ik het niet alleen over de Duitsers, geloven namelijk niet dat politici in Athene hun belofte zullen nakomen. Veel Grieken zijn van mening dat de draconische bezuinigingsmaatregelen die worden opgelegd als prijs voor de verlichting van hun schuldenlast eerder bedoeld is als straf dan als sanering. Een objectieve waarnemer zou waarschijnlijk zeggen dat beide partijen gelijk hebben.

In een bepaald opzicht kan Griekenland inderdaad worden beschouwd als uitzondering. Het is een klein land en het is anders. De overige landen in de periferie van de eurozone hebben in meer of mindere mate de kansen van het EU-lidmaatschap benut om uit te groeien tot moderne Europese staten. Hoewel Ierland momenteel in de problemen zit, heeft het zich toch ontwikkeld tot een zelfbewust land dat zich heeft weten te bevrijden van een historische obsessie met Groot-Brittannië. Spanje heeft de moderne ontwikkelingen enthousiast omarmd. Maar Griekse politici hebben zich daar eigenlijk nooit zo druk om gemaakt. Athene heeft de EU altijd voornamelijk gezien als een bron van geld in plaats van als bron van politieke inspiratie.

Portugal doet er wat langer over om te moderniseren. De Portugese economie is een behoorlijke puinhoop, net als de Griekse. Toch laten Portugese politici een overduidelijke vastberadenheid zien om de achterstand van hun land in te halen. Het vertrouwen in dat land is dus niet verdwenen. Beleidsmakers in Brussel en Berlijn zullen beweren dat ze Griekenland en Portugal in aparte categorieën indelen.

Besmetting is geen economisch feit maar een politiek product

Toch valt deze scheidslijn niet zo gemakkelijk te trekken als politici en beleidsmakers graag zouden willen. Hoewel Griekenland maar voor een paar procentpunt meetelt in de resultaten van de eurozone, is het toch zo belangrijk geworden omdat beleidsmakers met dit land een statement hebben kunnen maken over de toekomst van de eurozone. Besmetting is geen economisch feit maar een politiek product.

Als de markten ervan overtuigd waren geweest dat Griekenland echt een uitzondering was, had het land een tijd geleden al in quarantaine kunnen zijn gedaan. In plaats daarvan wordt Griekenland beschouwd als test voor een breder politiek plan – een test voor de solidariteit binnen de eurozone bijvoorbeeld.

Solidariteit is er in twee smaken, zoals blijkt uit een inzichtelijk onderzoek dat onlangs werd gedaan door de in Parijs gevestigde denktank Notre Europe. Enerzijds is er de eenvoudige transactionele regeling, zoals een gemeenschappelijke verzekering tegen de een of andere calamiteit. Anderzijds is er het rationele eigenbelang dat regeringen ertoe brengt nationale doelstellingen te bepalen binnen een gedeeld en duurzaam beleid van integratie.

De Europese Unie is gebaseerd op de tweede variant. Zo’n zestig jaar geleden was dat ook relatief gemakkelijk. De verschrikkingen van twee wereldoorlogen, de openbare dreiging van de Sovjet-Unie en de aansporingen van de Verenigde Staten voorzagen het proces van de Europese constructie, zoals de grondleggers het noemden, van een onweerstaanbare logica.

Solidariteit was geen sentimenteel idee van dromers

Solidariteit was geen sentimenteel idee van mensen die droomden van een federatie. Het hoorde bij een praktische afweging van belangen. Het stelde Frankrijk in staat politiek leiderschap op te eisen en Duitsland om zijn economie weer op te bouwen en het idee van hereniging levend te houden. Daarnaast kon Italië streven naar een modernere samenleving en de kleinere lidstaten wisten zich te verzekeren van een stem in de zaken die speelden op het Europese vasteland. Natuurlijk zou solidariteit ook een verheven vorm van onbaatzuchtigheid kunnen bevestigen, waardoor mensen een aangenaam gevoel over zichzelf zouden krijgen, maar in de basis ging het vooral om eigenbelang.

De gemeenschappelijke munt was de ultieme uitdrukking van dit huwelijk tussen nationale en gemeenschappelijke belangen, waarbij de overtuiging heerste dat de economische en politieke toekomst van de lidstaten zo onlosmakelijk met elkaar verbonden was dat een niet eerder vertoonde bundeling van soevereiniteit de moeite waard was. Het project had als enorm manco dat het werd gelanceerd op een moment dat de meeste andere beweegredenen voor solidariteit – herinneringen aan de Tweede Wereldoorlog, de existentiële bedreiging van het communisme, een verdeeld Duitsland – geleidelijk waren verdwenen.

Huidige variant van solidariteit is beter dan niets

Er zijn nog altijd meer dan genoeg redenen waarom Europese landen beter af zijn als ze samenwerken. Het meest voor de hand ligt de behoefte aan een stem in een wereld die steeds meer aan een ander toebehoort. Duitsland, Frankrijk, Groot-Brittannië – allemaal landen die te klein zijn voor deze wereld. Hoe belangrijk de ambities ook zijn, zoals het opstellen van handelsregelingen, het aanpakken van klimaatverandering, het veiligstellen van energievoorraden of het promoten van democratie en stabiliteit, geen enkele daarvan klinkt zo urgent of dwingend als het bewaren van de Europese vrede.

Voor zover er in de eurocrisis al duidelijk sprake is van solidariteit, is dat de transactionele variant, waarbij niemand winst of verlies boekt: kredietverstrekkende landen doen alleen zus als schuldenaren zo doen. Je zou kunnen stellen dat iets beter is dan niets. Tot nu toe heeft deze variant er immers voor gezorgd dat de euro nog bestaat. Toch kan hiermee nooit goed worden verklaard waarom Noord-Europese belastingbetalers voor de schulden van Zuid-Europese landen zouden moeten betalen of waarom Zuid-Europese landen pijnlijke hervormingen zouden moeten beschouwen als een kans in plaats van een straf. Daar is namelijk die andere variant van solidariteit voor nodig.