**Twintig jaar zijn er verstreken sinds het begin van de oorlog in Bosnië-Herzegovina, en zestien sinds de ondertekening van de Dayton Akkoorden die het einde van de oorlog betekenden. Het enige verschil tussen drie en een half jaar oorlog en zestien jaar vrede is dat de mensen elkaar niet meer vermoorden, maar dat ze een natuurlijke dood sterven. Voor de rest bleef alles bij het oude. De machtsverhouding bleef ongewijzigd: de Serviërs zijn nog steeds de "agressors" en de Bosniërs de "slachtoffers".

De positie van slachtoffer in vredestijd komt de Bosnische politieke, culturele en religieuze elite uitstekend van pas: volgens hen wordt de Bosnische natie zelfs door de slachtofferrol gesublimeerd. Want vanaf het moment dat de Bosniërs ophouden slachtoffers te zijn, is het niet langer nodig ze te verdedigen, te wreken en ze levend te begraven in deze mythe.**

De vrijheid om geen slachtoffer te zijn

Dat zou de patriottische elite zijn bestaansrecht ontnemen. Die overleeft immers alleen zolang er een vijand is die degenen bedreigt die aan de gruwelen van de oorlog wisten te ontsnappen. En als het aan vijanden ontbreekt, staan ze klaar om het Bosnische leger te mobiliseren, tegen een vijand die wel steeds groter moet zijn en een slachtoffer dat wel nooit volledig zal kunnen beschikken over zijn vrijheid.

Het systeem werd zodanig ontwikkeld dat het al jarenlang en systematisch functioneert: degenen die de Bosniërs niet uitsluitend als slachtoffers van de genocide beschouwen, worden gezien als verdedigers van de Servische misdaden, of zelfs als pleitbezorger van Milorad Dodik [president van de Republika Srpska, de Servische entiteit in Bosnië] of leerlingen van generaal Ratko Mladic [commandant van de Servische strijdkrachten in Bosnië tijdens de oorlog die momenteel terecht staat voor het Joegoslavië-tribunaal]. Het is de Bosnische Catch 22: de ware patriot vecht voor de vrijheid als een theoretische mogelijkheid en niet voor de vrijheid als een reële mogelijkheid, waaronder ook de vrijheid valt om geen slachtoffer te zijn: de afschuwelijkste en gevaarlijkste van alle vrijheden.

Het eerbetoon van de staat aan het eeuwige slachtoffer is altijd spectaculair en wordt in grote sportpaleizen georganiseerd, zoals in het Zetra [dat ter gelegenheid van de Olympische winterspelen van 1984 werd gebouwd]. Hier ging onlangs de film van Angelina Jolie, In the land of blood and honey, in première. Dezelfde film werd enkele maanden eerder nog bekritiseerd door voormalige strijders, plaatselijke mufti's en het ministerie van Cultuur in Sarajevo. Ze waren woedend over het scenario (dat ze niet eens hadden gelezen) over een door Servische soldaten verkrachte Bosnische vrouw, die verliefd wordt op een Serviër. Dit leverde Angelina Jolie het predicaat "Servische hoer" op.

Het internationale slachtofferpredicaat

**Toen ze vervolgens tijdens de première hoorden dat het de Serviërs zijn die in de film de Bosnische vrouw verkrachten, kreeg Jolie de Gouden Lelie, de hoogste nationale onderscheiding. Zo werd het ritueel dat zich in het Zetra afspeelde niet beleefd als een filmpremière maar als de overhandiging van het internationale slachtofferpredicaat. Na de première verklaarde grootmufti Mustafa Ceric, voor de gelegenheid gepromoveerd tot "de beste filmcriticus van het land" zelfs dat "de film van Angeline Jolie het beste is dat Bosnië-Herzegovina sinds de Dayton Akkoorden is overkomen".

Dus Angelina Jolie vertegenwoordigt voor Bosnië-Herzegovina wat Sasha Baron Cohen, alias Borat Sagdïev, voor Kazachstan betekende: een serieuze internationale referentie, zelfs al zijn het tegenpolen. Of je nu wil of niet, kan hieruit geconcludeerd worden dan Bosnië en Kazachstan achtergebleven gebieden zijn die alleen aan de erkenning door Hollywood hun bestaansrecht ontlenen. Dat zal zeker ten koste gaan van Bosnië-Herzegovina, als je bedenkt dat de elite van Astana Borat niet beoordeelde als het ergste dat Kazahchstan kon overkomen sinds de onafhankelijkheidsverklaring van het land.**