Alan Rusbridger is beslist geen bangerik. De hoofdredacteur van het Britse dagblad The Guardian pakt meestal zelfs behoorlijk uit. De links-liberale krant maakt daarbij in zijn kritische artikelen geen onderscheid tussen politici, sterren of bedrijven. Toch voelde zelfs Rusbridger zich afgelopen jaar niet erg op zijn gemak toen hij een brief ontving van het Londense advocatenkantoor Carter-Ruck. De Britse supermarktreus Tesco verschanste zich achter deze juristen. The Guardian had namelijk na uitgebreid onderzoek in een artikel bericht dat Tesco via ingewikkelde transacties wilde beknibbelen op zijn belastingverplichting. Op zich was de berichtgeving juist, alleen haalden de auteurs daarbij twee belastingvormen door elkaar.

De redactie gaf toe dat er een fout was gemaakt en plaatste tweemaal een rectificatie in het dagblad. Maar het advocatenkantoor gaf niet op. De proceskosten zouden naar schatting oplopen tot € 5,6 miljoen om een juridische strijd hierover tot het bittere einde te voeren – een catastrofe voor de krant, die sowieso al verlies lijdt. The Guardian mag dan ook van geluk spreken dat de schermutseling eindigde in een schikking. Maar Rusbridger trekt uit dit geval eens te meer de lering: in de Britse rechtspraak gaat het er helemaal niet om reputatieschade te herstellen. Het gaat om geld, het grote geld.

Uitgevers en wetenschappers, voorvechters van burgerrechten en schrijversvereniging Pen komen daarom in actie tegen de zo genoemde Libel law, de wet die personen en bedrijven zou moeten beschermen tegen reputatieschade. Zelfs de Verenigde Naties publiceerden al forse kritiek, die bij lezing lijkt op een oordeel over een Afrikaans ontwikkelingsland.

Niet de verdachte, maar de aanklager heeft het voordeel van de twijfel

De Libel Law gaat een bedreiging vormen voor de vrijheid van meningsuiting en de persvrijheid, niet alleen in Engeland, maar in de hele wereld, omdat in principe bijna iedere zaak aanhangig kan worden gemaakt bij een Britse rechtbank.

Miljardairs uit het Middenoosten en Russische oligarchen die hun criticasters monddood willen maken, dienen bij voorkeur een aanklacht in bij Britse rechtbanken. De IJslandse Kaupthingbank ergerde zich in 2007 aan de kritische berichtgeving in een Deense krant en spande in Londen een rechtszaak aan tegen de krant. En in de Oekraïne sleepte de ene inwoner de andere inwoner voor een Britse rechter vanwege een Oekraïense tekst op diens Oekraïense website. Meestal is het al voldoende om een aanklacht te kunnen indienen tegen een uitgeverij in de Britse hoofdstad als er slechts enkele exemplaren van de krant in Groot-Brittannië zijn verkocht of als de website met het gewraakte artikel een tiental keer is opgevraagd.

De Britse minister van Justitie riep een werkgroep in het leven die voorstellen moet gaan doen voor de hervorming van deze deels al meer dan 100 jaar oude wet. De volksvertegenwoordigers werden boos nadat het advocatenkantoor Carter-Ruck in opdracht van een olieconcern The Guardian niet alleen vanwege een gepland artikel over giftig afval voor de rechter wilde slepen, maar de krant bovendien nog wilde verbieden om verslag te doen van het parlementaire debat over deze kwestie.

Anders dan in de rest van de democratische wereld staat de Libel Law in geval van twijfel aan de kant van de aanklager: de gedaagde wordt verondersteld schuldig te zijn totdat hij het tegendeel kan bewijzen. Zelfs al wint hij zijn proces (wat zelden het geval is), dan nog blijft hij met hoge kosten zitten.

Verenigde Staten komen in opstand tegen de Libel Law

Veel uitgeverijen vragen zich dan ook af of ze over voldoende financiële middelen beschikken om hun journalistieke werk in juridisch opzicht te verdedigen. In de meeste gevallen komt het daarom niet eens tot een rechtszaak. Vanuit commercieel oogpunt zijn kranten voorzichtig en stemmen liever meteen in met een schikking, ook al tast dat hun geloofwaardigheid aan. Of ze laten het bij voorbaat al uit hun hoofd om voortaan nog over netelige kwesties als terreur of corruptie te schrijven. “De onevenredig hoge kosten zijn een bedreiging gaan vormen voor de onderzoeksjournalistiek”, zegt advocaat Hooper. Dat gebeurt vooral ten tijden van een crisis, een periode waarin veel kranten toch al moeten bezuinigen. Los daarvan heeft de financiële crisis duidelijk gemaakt hoe belangrijk het is om kritisch te blijven kijken.

Vooral kranten en tijdschriften in de VS hebben grote moeite met de Britse praktijken. In de VS hebben kranten wettelijk het recht fouten te maken, zolang kan worden aangetoond dat er zorgvuldig en zonder opzet is gehandeld. Toch kan het ook voor hen in Londen nog wel eens duur worden.

In Californië, de op drie na grootste staat in de VS, werd onlangs een wet aangenomen, waarin vorderingen op basis van buitenlandse aanklachten wegens laster niet langer uitvoerbaar zijn. In Washington is een vergelijkbare anti-Britse federale wet in de maak – een opmerkelijk verschijnsel onder bondgenoten. In november dreigden grote kranten in de VS zoals de New York Times en de Boston Globe zelfs dat ze voortaan geen kranten meer zouden leveren aan Groot-Brittannië en de toegang tot hun online versies zouden blokkeren.