Markus Krall is de laatste hoop van Europa. Hij weet dat het continent zijn succes nodig heeft. En daarom vliegt de medewerker van ondernemingsadviesbedrijf Roland Berger sinds een paar weken dwars door Europa en bezoekt hij vrijwel dagelijks een bank, een verzekeringsmaatschappij of een beleggingsfonds. Bijna iedere dag spreekt de 49-jarige met een bestuursvoorzitter, geeft hij een presentatie en deelt hij grote hoeveelheden papier uit. Hij moet wel doorwerken. En aanwijzingen geven.

Een zestigtal van zulke visites staat alles bij elkaar op stapel, en aan het eind daarvan zal Krall ongeveer dertig handtekeningen hebben, ieder met een waarde van gemiddeld tien miljoen euro. Driehonderd miljoen euro inzamelen, dat is het doel van Krall.

De vleugels van Krall

Driehonderd miljoen euro, om uit het niets een Europese kredietbeoordelaar op te zetten. Velen zijn er de afgelopen twintig jaar niet in geslaagd dit doel te bereiken. De poging van Krall is waarschijnlijk de laatste mogelijkheid voor Europa om de drie Angelsaksische kredietbeoordelaars, die deze sector wereldwijd domineren, enigszins van repliek te dienen: Standard & Poors’s (S&P), Moody’s en Fitch Ratings. Ofwel de Grote Drie.

Markus Krall heeft vleugels, omdat hij het gevoel heeft dat de Grote Drie nog nauwelijks vrienden hebben. Maar de tegenstanders van Markus Krall zijn machtig. Iedere onderneming, iedere bank, iedere staat die geld wil hebben van beleggers op de kapitaalmarkt, heeft een oordeel nodig over zijn of haar kredietwaardigheid. Hoe beter dat oordeel uitvalt, des te gunstiger de voorwaarden zijn waartegen ze geld kunnen lenen. En voor zo'n oordeel wenden deze spelers zich vrijwel allemaal tot de Grote Drie. De macht van de Grote Drie is diep in de wettelijke voorschriften verankerd, en hun geliefdheid bij beleggers ongebroken. De strijd van Markus Krall is daarom een ongelijke strijd, maar hij wil die strijd tóch voeren.

Het plan van Krall begon met de oprichting van een stichting, een 'European Rating Foundation' (Europese Kredietbeoordelings Stichting). Krall hoopt binnen twaalf tot achttien maanden met de eerste beoordeling op de markt te kunnen komen. Hij wil eerst proberen staten als klant binnen te halen. Ondernemingen en banken komen later. Binnen drie jaar wil hij duizend medewerkers in dienst hebben. Al na vijf jaar moet de nieuwe kredietbeoordelaar 25 procent van de Europese markt in handen hebben. En na tien jaar 25 procent van de wereldmarkt.

Regeringen mopperen op de kredietbeoordelaars

Concurrentie? Ja, er zijn ook andere kredietbeoordelaars. Over de hele wereld zijn alles bij elkaar – afhankelijk van de bron – zo'n zeventig tot honderdvijftig kredietbeoordelaars actief, maar uitsluitend regionaal of in individuele beleggingscategorieën. Beleggers met miljardenvermogens willen hun geld echter wereldwijd en in alle effectenklassen investeren en geven daarom liever de voorkeur aan één firma als ze een oordeel nodig hebben. En dan komen ze bij één van de Grote Drie terecht.

De regeringen mopperen. Door een afwaardering van de kredietstatus wordt het voor een land veel moeilijker en duurder geld te lenen op de kapitaalmarkt. Dan is het nogal paradoxaal om te horen dat Athene en Lissabon jaarlijks honderdduizenden euro's kwijt zijn aan de kredietbeoordelaars. In het klassieke model, dat ook Markus Krall in eerste instantie wil volgen, laten de kredietbeoordelaars zich betalen door degenen die gebruik willen maken van hun diensten.

Dat de Grote Drie daarbij met weinig concurrentie te maken hebben, blijkt uit hun operationele winst: in 2011 bedroeg die bij Fitch 31 procent, bij S&P 41 procent en bij Moody's zelfs 44 procent.

VS en EU willen belang van Grote Drie verminderen

Hoewel Markus Krall ondernemingsadviseur is, is hij er helemaal niet op uit zulke marges te halen. De Europese kredietbeoordelaar moet wel particulier gefinancierd worden, want hoe kan hij anders een onafhankelijk oordeel over een staat geven? Op winst gericht, zoals de Grote Drie, moet de nieuwe kredietbeoordelaar echter niet zijn, en zeker niet op de beurs georiënteerd zoals Moody's. Het grote aantal van dertig investeerders, de stichtingsvorm en het ontbreken van een winststreven moeten er alles bij elkaar voor zorgen dat de onafhankelijkheid gewaarborgd is, hoopt Krall.

In de Verenigde Staten en de Europese Unie willen de wetgevers nu het belang van de kredietwaarderingen van de Grote Drie in de wettelijke voorschriften verminderen. Alleen: door welke criteria kunnen die waarderingen worden vervangen? Als je ze eenvoudigweg schrapt, creëer je alleen maar nieuwe problemen. Een fondsbeheerder zou opeens helemaal vrij zijn om te kiezen – en zou dan in de verleiding kunnen komen riskantere effecten te kopen, met een hoger rendement.

Daar komt de loyaliteit van beleggers nog eens bij. De Grote Drie kunnen vooral aan de macht blijven doordat de pensioenfondsen, geldfondsen, hedgefondsen, verzekeringsmaatschappijen en banken de afgelopen decennia aan ze gewend zijn geraakt.

Hun waarderingen zijn eenvoudig. Zij maken de ingewikkelde financiële wereld inzichtelijk en zorgen ervoor dat waardepapier internationaal met elkaar vergeleken kan worden. "De enorme invloed van de Grote Drie is te verklaren doordat zij er al zijn zolang Wall Street zich heugen kan”, zegt een ervaren bankier uit New York.

Probleem van klanten werven

Zelfs als Markus Krall er dus in slaagt een Europese kredietbeoordelaar op te richten, dan krijgt hij ook nog te maken met het probleem hoe hij klanten moet werven. Ondernemingen en banken maken alleen gebruik van kredietbeoordelaars als beleggers ze serieus nemen. Beleggers doen dat echter pas als die kredietbureau's door veel ondernemingen en banken worden gebruikt. Dat is een typisch cirkelprobleem.

Maar Markus Krall vecht verder. Voor Roland Berger is het project vooral een reputatiekwestie, en de bedrijfsadviesfirma hoopt misschien louter op een of andere lucratieve opdracht. Daarom heeft Kral een troef achter de hand. Een troef, die moet helpen de spelregels op de langere termijn te veranderen. Het is een onderzoek van Roland Berger, waaruit blijkt dat tot de eigenaren van Moody's en McGraw-Hill, het moederconcern van S&P, dezelfde Amerikaanse beleggingsfondsen behoren: Vanguard, Capital World, State Street, BlackRock, om er maar een paar te noemen. Deze vervlechting werpt de vraag op hoe groot de belangenconflicten precies zijn, want de kredietbeoordelaars waarderen ook firma's die zij tot hun aandeelhouders rekenen. Bovendien constateert het onderzoek, in het licht van deze vervlechting en van het hoge gemeenschappelijke marktaandeel, dat er op de markt voor kredietbeoordelaars sprake is van 'monopolistische structuren'.

Bij Moody’s en S&P wordt het beeld van een 'gelijkgeschakeld' Amerikaans complex van kredietbeoordelaars resoluut van de hand gewezen. “Louter het feit dat een belegger zowel belangen heeft in Moody's als in McGraw-Hill, betekent nog niet dat er sprake is van een samenzwering”, zegt Daniel Kolter, de chef van de Duitse divisie van Moody's.

Zijn collega van S&P is nog duidelijker. “Zelfs een bestuursvoorzitter heeft geen invloed op de beslissingen van onze analisten”, zegt Torsten Hinrichs, chef van de Duitse divisie van S&P. “Analyse en bedrijfsvoering zijn strikt gescheiden.”

De inspanningen van Markus Krall en Roland Berger beziet Hinrichs gelaten: “Wij wensen hen veel succes. Dat meen ik serieus.”