Het is zeven uur 's ochtends in de wijk San Lorenzo in het centrum van Napels. Een jochie baant zich met een zware doos conservenblikken behendig een weg door het labyrint van vochtige straatjes. In een verschoten trainingspak, zijn capuchon over zijn hoofd getrokken en op afgetrapte gympen begint de kleine Gennaro zijn werkdag.

Niemand die zich erover verbaast dat hij al zo vroeg loopt te ploeteren. In september 2011 kon Gennaro aan de slag bij een kruidenierswinkel. Zes dagen per week, tien uur per dag, is hij bezig met vakken vullen, dozen uitladen of boodschappen aan huis bezorgen.

Gennaro droomde ervan om iets met computers te gaan doen, nu is hij winkelbediende, zoals de meeste kinderen in Napels die werken. Hij werkt zwart, voor nog geen euro per uur, en verdient hooguit 50 euro per week. Gennaro is net 14 geworden.

Gennaro's moeder, Paola Rescigno, had nooit gedacht dat ze zich ooit genoodzaakt zou zien haar zoon van school te halen. Twintig jaar lang woonde ze met haar man op 35 vierkante meter ergens achteraf in San Lorenzo, de armste wijk in het centrum.

"Op hun tiende werken kinderen al twaalf uur per dag"

Toen stierf Gennaro's vader aan kanker. Sindsdien doet Paola Rescigno van alles om aan geld te komen. Ze heeft inmiddels een klein schoonmaakbedrijfje opgezet en deelt het werk met andere werkloze vrouwen in de wijk. Daarmee verdient ze 45 eurocent per uur, 35 euro per week, nog minder dus dan haar zoon.

Iedere ochtend maakt ze Gennaro al vroeg wakker, zodat hij op tijd bij de kruidenierszaak is. Haar dochtertje is 6, dus ze moest kiezen: "Ik heb niet genoeg geld om boeken voor allebei te betalen. Het was de een of de ander." Op de keukentafel ligt een "brood dat acht dagen oud is" , een grote bol flauw roggebrood van 3 kilo die lang bewaard kan worden en maar 5 euro kost. Met zulk brood kwam het na-oorlogse Italië de hongerjaren door.

In Napels werken duizenden kinderen zoals Gennaro. Volgens een alarmerend rapport dat in oktober 2011 door de gemeente werd gepubliceerd, waren er tussen 2005 en 2009 in heel Campanië, de streek rond Napels, 54000 schoolverlaters; 38 procent daarvan was jonger dan 13 jaar.

Winkelbediendes, obers, los-vaste bezorgers, leerling-kapsters, naaistertjes in de huidenhandel in het binnenland of in de leerverwerking van grote merken, ‘manusjes-van-alles’ op de markt, je ziet ze overal, op klaarlichte dag, en niemand die zich er druk om maakt.

"Natuurlijk, wij zijn van oudsher de armste streek van Italië, maar dit is sinds het eind van de Tweede Wereldoorlog niet meer voorgekomen", zegt de Napolitaanse wethouder Sergio d'Angelo. "Op hun tiende werken die kinderen al twaalf uur per dag, een absolute ontkenning van hun recht op normaal opgroeien." De ouders zijn hier vaak illegaal en maatschappelijk werk kan hun kind ieder moment in een pleeggezin plaatsen.

Kinderen uit arme gezinnen hebben geen andere keus

Zover is het met de Italiaanse crisis al gekomen. Sinds 2008 zijn bij opeenvolgende begrotingen drastische economische plannen doorgevoerd. In juni 2010 heeft Campanië de ‘reddito di cittadinanza’, een aanvulende uitkering voor de laagste inkomens, afgeschaft, waardoor 130.000 gezinnen die daarvoor in aanmerking kwamen in armoede vervielen.

Het gemiddelde inkomen in deze regio bedroeg toen 633 euro per inwoner, maar de helft van de bewoners denkt dat hun situatie inmiddels is verslechterd. "Jongeren draaien in hun eentje op voor de gevolgen van de ernstigste economische crisis sinds de Tweede Wereldoorlog", zegt Sergio d'Angelo.

In Napels hebben kinderen uit arme gezinnen in feite geen andere keus dan óf heel hard hun best doen op school óf zwart werken. Als derde mogelijkheid kunnen ze zich aansluiten bij de Camorra, de Napolitaanse maffia. Het is die onmenselijke keus waar Giovanni Savino, een 33-jarige jeugdwerker, tegen in het geweer komt. Hij doet zijn werk in Barra, een van de armste wijken van Napels, een ware supermarkt voor verdovende middelen, een troosteloos gebied vol bouwvallige torenflats waar de Camorra het voor het zeggen heeft.

Iedere week gaat Giovanni Savino naar het Rodino College, een school midden tussen de goedkope huurflats. De handel in verdovende middelen tiert er welig en één op de twee leerlingen is meer dan honderd dagen per jaar afwezig.

Gemeenteambtenaren durven zich niet te vertonen bij de flats

Volgens de wet zouden ze al na zestig dagen afwezigheid van school moeten worden verwijderd. De directrice van de school, Annunziata Martire, voert met jeugdwerker Savino een gevecht tegen de klok: een keer per week geeft ze hem een lijst met de namen van kinderen die niet zijn komen opdagen. Giovanni Savino heeft vervolgens tien dagen de tijd om een oplossing te vinden voordat maatschappelijk werk ingrijpt. Meestal is hij degene die de kinderen helpt buiten de school om hun eindexamen voor te bereiden, om te voorkomen dat ze bij hun familie worden weggehaald en in een pleeggezin worden geplaatst.

Gemeenteambtenaren durven zich niet meer in de omgeving van de flatgebouwen te vertonen en er zijn maar weinig jeugdwerkers als Giovanni Savino die Barra kunnen binnengaan.

Zijn organisatie heet ‘Il Tappeto di Iqbal’, het ‘Tapijt van Iqbal’, naar een Pakistaanse kindslaaf die in opstand kwam en werd vermoord.

Giovanni Savino is woedend, op de maffia, op een falend onderwijssysteem, op de Staat, "die deze kinderen in de steek laat". Italië kent geen bijstandsregeling. Hulp aan jongeren en hun families is afhankelijk van 150 organisaties, die volledig zijn aangewezen op gemeentelijke subsidies. Sinds het begin van de crisis is het potje voor deze organisaties met 87 procent verlaagd. De twintigduizend jeugdwerkers van Campanië krijgen al twee jaar geen salaris meer uitbetaald en moeten zich in de schulden steken om te kunnen werken. Het ‘Tapijt van Iqbal’ moet uit geldgebrek zijn deuren sluiten.

Toch heeft Giovanni Savino al tientallen kinderen in Barra uit handen weten te houden van hebzuchtige, gewetenloze werkgevers of maffiaclans die hier hun toekomstige soldaten komen rekruteren.

"Niet tegen mijn moeder zeggen dat ik een mes heb, hoor!"

Carlo was een van de eersten die wist te ontsnappen. Op zijn dertiende was hij een getaoeëerde kindmoordenaar die zich bezighield met afpersing en diefstal en die iemand overhoop stak als de Aprea-clan daarom vroeg. Vier jaar later is Carlo de rechterhand van Giovanni Savino, aan wie hij onvoorwaardelijk loyaal is: "Hij helpt je niet alleen om je diploma te halen, maar laat je ook daarna niet meer los. Hij heeft mijn leven gered." Na Carlo kwam Marco, op zijn twaalfde een geroutineerde zakkenroller en verslaafd aan cocaïne. En Ciro, een briljante leerling die ober werd om zijn familie uit de wurggreep van maffieuze woekeraars te bevrijden.

De laatste, Pasquale van 11, vormt volgens Giovanni Savino de grootste uitdaging. Toen hij hem negen maanden geleden onder zijn hoede nam, ging Pasquale al niet meer naar school en had hij nooit genoeg te eten. Om zijn familie te helpen, laadde dit jochie van amper 1.30 meter en met een gezicht vol sproeten dozen uit bij een supermarkt. 's Nachts begon hij koper te stelen op vuilnisbelten of uit de loodsen van Trenitalia. "Je pakt de draad, maakt hem gloeiendheet, en dan snijd je hem door zodat je hem kan opwinden", zegt hij met veel branie.

"Niet tegen mijn moeder zeggen dat ik een mes heb, hoor!" voegt hij er ongerust aan toe. In Barra leveren koper en aluminium op de zwarte markt twintig euro per kilo op. De handel wordt door kinderen gedaan. Als hem wordt gevraagd wat hij later wil worden, is Pasquale plotseling stil. "Wat ik kan", antwoordt hij uiteindelijk huilend.