Haïti: Frankrijk moet schuld erkennen

Voorstelling van een suikerrietplantage op Haïti in de 19e eeuw op een postkaart Haïti. ©SCRBC
Voorstelling van een suikerrietplantage op Haïti in de 19e eeuw op een postkaart Haïti. ©SCRBC
21 januari 2010 – The Times (Londen)

Ruim voor de verwoestende aardbeving van 12 januari was Haïti al een economisch rampgebied, ernstig verzwakt door de eeuwenoude schuld die moest worden afgelost aan Frankrijk, voormalig koloniaal heerser. Ben McIntyre schreef een aanklacht (‘J’accuse’) in de Britse krant The Times.

Waar ligt de fout in Haïti? Voor geologen op de breuklijn tussen de Noord-Amerikaanse en Caribische tektonische platen. Anderen zien in de aardbeving een bewijs van de woede van God. Verstandige mensen wijzen op de hele reeks despoten die Haïti in de loop der jaren hebben geplunderd. Maar veel Haïtianen vinden dat de breuklijn 200 jaar geleden al is ontstaan en wijzen met een beschuldigende vinger naar Frankrijk, voormalig koloniale mogendheid.

In de 18e eeuw was Haïti het kroonjuweel van Frankrijk, de Parel van het Caraïbische gebied, de grootste suikerexporteur ter wereld. De slaven die de Haïtiaanse plantages moesten bewerken werden echter, zelfs naar koloniale maatstaven, uitzonderlijk slecht behandeld. Ze stierven soms zo snel dat Frankrijk vijftigduizend slaven per jaar moest invoeren om hun aantal op peil te houden en daarmee ook de winst.

Geïnspireerd door de basisgedachte van de Franse Revolutie volgde in 1791 een slavenopstand onder leiding van autodidact Toussaint Louverture. Na een wrede oorlog werden de strijdkrachten van Napoleon verslagen. Haïti riep in 1804 de onafhankelijkheid uit. Frankrijk kon deze brutaliteit en het verlies aan inkomsten echter niet verkroppen: achthonderd suikerplantages waren vernield en drieduizend koffieplantages waren verloren gegaan. Er werd een zware handelsblokkade opgelegd. In 1825 eiste Frankrijk, in ruil voor erkenning van een onafhankelijk Haïti, een schadevergoeding die zijn weerga niet kende: honderdvijftig miljoen gouden franken, een bedrag dat vijfmaal zo hoog was als de jaarlijkse exportopbrengsten van Haïti.

Haïti moest betalen voor zijn vrijheid, en dat 122 jaar lang

De Fransen zetten hun Keizerlijk Besluit kracht bij met twaalf oorlogsschepen met honderdvijftig kanonnen. Over de voorwaarden kon niet worden onderhandeld. De jonge natie had weinig andere keus dan toe te geven. Haïti moest betalen voor zijn vrijheid en deed dat ook, door de bank genomen, de daaropvolgende 122 jaar. Zelfs toen het totale bedrag werd verlaagd tot negentig miljoen franken, bleef Haïti gebukt gaan onder de schuldenlast. Het land sloot tegen exorbitante rentepercentages leningen af bij Amerikaanse, Duitse en Franse banken. Ter vergelijking: Frankrijk stemde er in 1803 mee in om het gebied Louisiana voor 60 miljoen franken aan de VS te verkopen, terwijl dat gebied wel 74 keer zo groot is als Haïti.

Haïti ging zwaar gebukt onder deze financiële last en was vanaf het prille begin al bijna failliet. In 1900 werd nog steeds zo’n tachtig procent van de staatsbegroting opgeslokt door aflossing van de schulden. Haïti voerde de Landbouwwet in om te zorgen dat arbeiders het land bleven bewerken om zoveel mogelijk te blijven oogsten en zo de schadevergoeding te kunnen betalen. Dit had een scheiding tussen stad en platteland tot gevolg, tussen een lichtgekleurde elite en een donkergekleurde meerderheid, die tot op de dag van vandaag voort bestaat.

Pas in 1947 was deze schuld eindelijk afbetaald, maar tegen die tijd was de economie van Haïti al hopeloos uit balans. Er heerste armoede, het land was in politiek en economisch opzicht instabiel en vormde een gemakkelijke prooi, zowel voor de grilligheid van moeder natuur als voor de plunderingen door despoten. Zeven jaar geleden verzocht de Haïtiaanse regering schadeloosstelling aan Parijs voor een bedrag van bijna 22 miljoen dollar (inclusief rente) in verband met het militair machtsvertoon dat ertoe had geleid dat Haïti was uitgegroeid tot het armste land op het westelijk halfrond.

Franse regering meende in 2004 dat schadelloosstelling "niet relevant" was

In de nasleep van de aardbeving van afgelopen week, waarvan het effect zo oneindig veel groter is vanwege de kwetsbare economie van Haïti, werd er opnieuw een beroep gedaan op Frankrijk om zijn morele schuld te erkennen. Het ziet er echter niet naar uit dat Frankrijk dat zal doen. De Franse regering is van mening dat deze zaak in 1885 is afgehandeld. Jacques Chirac riep in 2004 een werkgroep in het leven onder leiding van de linkse filosoof Régis Debray, die de historische banden tussen Frankrijk en Haïti moest bestuderen. Deze werkgroep kwam echter doodleuk tot de conclusie dat het verzoek om schadeloosstelling "niet relevant was, op wettige noch op historische gronden".

Maar nu Haïti wordt geconfronteerd met de sociale en maatschappelijke ineenstorting van het land, een overheid die volledig verlamd is geraakt en een overweldigende hoeveelheid doden, doet de Franse minister van Financiën wel een oproep om de schulden van Haïti versneld kwijt te schelden. Dat is toch wrede ironie: als Frankrijk Haïti ongeveer vanaf het ontstaan van het land niet had opgezadeld met schulden, zou het nu veel beter toegerust zijn om het natuurlijke geweld het hoofd te bieden. De Franse minister van Buitenlandse Zaken, Bernard Kouchner, roept op tot een conferentie over "wederopbouw en ontwikkeling". “Dit is een kans om Haïti eens en voor altijd te verlossen van de vloek, waarmee het al zo lang opgescheept lijkt te zitten”, zei president Sarkozy.

Maar Haïti heeft geen enkele behoefte aan nog meer woorden, conferenties of werkgroepen. Het land heeft vooral dringend geld nodig. Tot nu toe bedragen de officiële donaties van Frankrijk minder dan de helft van de bijdrage van Groot-Brittannië. De koloniale erfenis is wereldwijd een bittere pil, maar in sommige landen is er duidelijk een direct verband te leggen tussen de misdaden uit het verleden en de afschuwelijke gebeurtenissen van het heden. Als Frankrijk alleen maar zou erkennen dat de huidige ramp voor een deel het gevolg is van het verleden en niet alleen maar een kwestie van het lot, zou dat al een stap in de goede richting zijn om de wonden van Haïti te helpen helen.

Frankrijk weigert de rekening van zijn verleden te betalen. Maar wat zou er gebeuren als we de volgende keer in een Frans restaurant een belachelijk hoge rekening gepresenteerd krijgen, zouden zeggen dat de betaling niet relevant is, dat er een werkgroep wordt opgericht en daarop het restaurant zouden verlaten?

Factual or translation error? Tell us.