**De blik van Laura Tamiozzo is gefixeerd op de monitor van een laptop. Haar zachte, maar vastberaden stem weerklinkt in de zaal van het parochiecentrum San Sebastiano, in de schaduw van de klokkentoren van Vigonza, een dorp in de provincie Padova. Het is 28 maart en achter haar hangt een poster van de vakbond Filca-Cisl Veneto (de organisator van deze openbare bijeenkomst) met daarop enkele rijen met graftombes met daarop de namen van 25 historische bedrijven die hun deuren hebben moeten sluiten in algemene hardvochtigheid. “Beste Flavia, allereerst wil ik duidelijk maken dat het niet gemakkelijk was om deze brief te schrijven, maar het drama dat jouw gezin heeft getroffen heeft ook mijn gezin getroffen”. Laura Tiamozzo leest een persoonlijke brief voor van 22 januari die is gericht aan de 32-jarige Flavia Schiavon, die naast haar staat. De Grote Crisis heeft hen via hun vaders bereikt: beiden hadden een bouwbedrijf, beiden hebben zelfmoord gepleegd. Op 12 december van afgelopen jaar heeft Giovanni Schiavon zich in zijn kantoor door het hoofd geschoten. De zaak heeft ophef veroorzaakt omdat Schiavon, los van zijn schulden, een lening van 250.000 euro had bij de overheid. Antonio Tamiozzo heeft zich op oudejaarsnacht opgehangen in de loods van Costruzioni Tamiozzo, zijn bedrijf dat meer dan dertig werknemers telde.

Daniele Marini, directeur van Fondazione Nordest (Stichting Noordoosten) legt uit dat het “moeilijk is om een doorsnee omschrijving te geven van deze ondernemers”. Er zijn echter wel enkele gemeenschappelijke kenmerken. Allereerst valt op dat het om bedrijven gaat met een beperkte of zeer kleine omvang, die vooral actief zijn in volgroeide sectoren, zoals bouwbedrijven en kleine vakwerkbedrijven. Verder heeft het gemiddelde bedrijf in het noordoosten van Italië 274 onderaannemers en worden producten voor tachtig procent door deze laatste vervaardigd – zij zijn kortom nauw met elkaar verbonden.**

Failliet gaan wordt gezien als een schande

**In een dergelijk systeem komen de problemen voor- en achteraan de toeleveringsketen dus onvermijdelijk op de schouders van het midden- en kleinbedrijf terecht. Volgens de gegevens van de zetel van mkb-organisatie Cgia in Mestre hebben sinds het begin van de crisis ten minste vijftig kleine ondernemers en vakmannen in Veneto zich van het leven beroofd. “De opdeling van werk wordt de opdeling van leven – aldus schrijver Ferdinando Camon – Wanneer het bedrijf in moeilijkheden komt, lijdt de baas des te meer omdat hij zijn werknemers niet kan betalen en hen ziet worstelen. Een groot deel van de zelfmoorden vond tevens om deze reden plaats. De eigen medewerkers moeten ontslaan, de deuren sluiten en/of failliet gaan wordt in de cultuur van de hardwerkende gemeenschappen in het noordoosten gezien als een schande, een tekortkoming in de maatschappelijke verantwoordelijkheid van de ondernemer”.

Volgens Camon mag ook niet worden uitgesloten dat “sommige van de zelfmoordenaars, al dan niet onbewust, de schuldeiser, namelijk de staat, als moordenaar, als verantwoordelijke wilden afschilderen”. De woede loopt op en de betrekkingen met de politiek lijken een onherstelbare deuk te hebben opgelopen. Na Tangentopoli (corruptieschandaal in het begin van de jaren negentig) dacht het bedrijfsleven en de maatschappij in Veneto dat men beter kon groeien zonder de ‘rem’ van de overheid. Dit wantrouwen ten aanzien van de staat werd door deze laatste beantwoord: “Het noordoosten van Italië is een duistere jungle. Rome kijkt niet tot hier. Of kijkt wel, maar begrijpt niet”.**

Drijfveren van de economie hebben hun limiet bereikt

**Duidelijk is in elk geval dat deze ondernemers in Veneto zich alleen voelen, geïsoleerd, in de steek gelaten. Onbegrepen. Juist uit deze bijeenkomst in Vigonza is het voorstel ontstaan om een vereniging voor familieleden van slachtoffers van de crisis op te richten. De verschillende bestaande organisaties proberen ondertussen oplossingen te bedenken. Eind februari heeft de zetel van Cgia (federatie van ambachtslieden) in Asolo-Montebelluna het initiatief ‘Life Auxilium’ ingehuldigd. Het bestaat uit een gratis nummer (dat gemiddeld een telefoontje per dag ontvangt) en een ontmoetingscentrum waar ondernemers in nood psychologische steun kunnen krijgen.

Zijn deze zelfmoorden dan het morbide gevolg van de mislukking van een ‘model’? Niet per se. De ‘locomotief van Italië’ – een vitale wereld met een ongebreidelde en spontane explosie van bedrijven – begon eigenlijk al sinds 2000 te vertragen. Zoals te lezen is in Vernieuwers aan de grens. Het parcours van het nieuwe noordoosten (2012), door Daniele Marini, begon juist in de jaren daarna de ontwikkeling van het noordoosten, zoals die bekend was, ‘stil te liggen’. [...]: de oorspronkelijke motoren hadden hun limiet bereikt. Ze waren inderdaad ‘op’. “Van de grote beschikbaarheid van vaklieden tot de vergrijzing en het tekort aan lokale werknemers; van de familiebedrijven tot de problemen met het vinden van opvolgers, van een geleidelijk verstedelijkt en vrij platteland tot een verzadigd gebied zonder ruimte en vol infrastructuur. De drijfveren van de economie in het noordoosten van Italië hadden hun limiet bereikt”.

Stefano Zanatta, voorzitter van Cgia Asolo-Montebelluna, denkt in dezelfde richting: “De crisis heeft bepaalde zwakke punten van het systeem aan de dag gelegd. We hebben nog altijd een versnipperd systeem, bestaande uit kleine en zeer kleine bedrijven. Dit ging in het verleden goed zolang alles liep en creëerde welvaart en volledige werkgelegenheid in het gebied. Maar nu met deze diepe crisis kunnen we al vier jaar niet meer op tegen een systeem dat sterker is dan wij”.**

Werk is de nieuwe religie

**Uit de gegevens van de periode 2006-2010 van Movimpresa (dat de oprichting en opheffing van bedrijven registreert) blijkt dat er in het noordoosten van het land 6.023 meer bedrijven zijn beëindigd dan nieuwe bijgekomen. Voor Daniele Marini is een klein bedrijf niet noodzakelijkerwijs gedoemd de deuren te sluiten of uit de markt te worden gedrukt. Maar zo’n kleine onderneming moet dan echter wel een ontwikkelingssprong hebben gemaakt in technologische innovatie, de organisatie van het productieproces en de diensten en “handelsbetrekkingen hebben aangeknoopt met grotere, geïnternationaliseerde bedrijven”.

Ondanks de grote transformaties van de afgelopen twintig jaar blijft Veneto een gemeenschap van harde werkers, die zich identificeren met hun werk (ondernemers, maar ook werknemers), zonder onderscheid van klasse, generatie of groepen. Tegelijkertijd blijf het werk echter ook de hoofdzorg van de bevolking, vooral op dit historische moment. Het was in 1996 toen socioloog Ilvo Diamanti waarschuwde: “Werk is de nieuwe religie. [...] Ik vrees dat we niet alleen economisch zware tijden tegemoet gaan. Want als werk alles is, als voldoening voortkomt uit economisch succes en er komt een dag dat de ontwikkeling stagneert, dan zullen de gevolgen niet enkel van economische aard zijn, maar ook van psychologische aard”. “Cultuur en geluk tellen niet mee. Geld is alles”, legt Ferdinando Camon uit. “De kleine ondernemer met schulden beleeft geen economische crisis, maar een totale crisis. Hij is bevreesd, moreel en mentaal. Daarom maakt hij een eind aan zijn leven. Want geld is zijn enige waarde en als die waarde in zijn leven een tekort vertoont, dan is het leven niet meer de moeite waard. Geld is een alomvattende waarde geworden”.**