Het begrotingstekort en de staatsschuld hebben buitensporige proporties aangenomen, de betalingsbalans vertoont een aanzienlijk tekort, de productiviteit is laag en de overheidssector is slecht georganiseerd, de salarisstructuur ontwikkelt zich inadequaat en hieraan kunnen nog tal van andere problemen worden toegevoegd. Als gevolg hiervan groeit het wantrouwen jegens een land dat dusdanig in de problemen is geraakt dat het Brussel regelmatig onjuiste gegevens verstrekt over zijn eigen economische situatie.

Niettemin moet er onderscheid worden gemaakt tussen twee soorten problemen. Enerzijds is er het risico dat Griekenland zijn geldelijke verplichtingen niet meer kan nakomen doordat het niet meer in staat is zijn schulden af te lossen, met name die van de staat. Dit gevaar wordt versterkt door de mogelijkheid dat een insolvent Griekenland de geloofwaardigheid aantast van Europese landen die soortgelijke tekenen van zwakte vertonen, zoals Italië, hoewel in mindere mate. Dit risico is echter minimaal: met uitzondering van een enkel geval van paniek blijken de financiële markten zeer wel in staat om onderscheid te maken tussen de kwalitatieve en kwantitatieve problemen waarmee de verschillende landen te maken hebben.

Griekenland laat het gebrekkige economische beleid van de EU zien

De kern van het probleem zit in iets heel anders. Wat er nu in Griekenland gebeurt, is zeer ernstig omdat hieruit concreet valt af te leiden hoe de huidige organisatie van de Europese Unie ertoe kan leiden dat we over een betrekkelijk lange termijn volledig de controle verliezen over de economie van een lidstaat, waardoor deze de Europese normen te buiten kan gaan en Europese afspraken kan omzeilen. De Europese munt en coördinerende maatregelen op macro-economisch niveau van de Commissie en de Raad ten spijt. Aan de gang van zaken in Griekenland is te zien hoezeer het Europese economische bestuur tekortschiet. Het heeft zich niet krachtig genoeg opgesteld, heeft zich niet op het probleem geconcentreerd en bleek te verdeeld en te weinig supranationaal. Als er niet duidelijker en ambitieuzer richting wordt gegeven, ontstaat er een diepe kloof in het economische beleid dat de lidstaten en de diverse regio's van de Europese Unie voeren doordat er geen sturing is. Het beleid laat zien hoe buitensporig en ondoeltreffend de Europese economie is, in een tijd waarin de crisis en de wereldwijde concurrentie juist gezamenlijk optreden vergen.

Controlemechanismen moeten worden versterkt

Dit probleem tekent zich voor zowel Brussel als Frankfurt steeds duidelijker af. Daarom moeten de discipline en de coördinatie van het economische beleid van de 27 lidstaten als geheel flink worden versterkt. Willen we het stabiliteits- en groeipact, waarmee het begrotingstekort en de staatschuld op Europees niveau aan banden worden gelegd, serieus ten uitvoer leggen, dan valt daaraan niet te ontkomen. Griekenland is lang niet de enige lidstaat die zich niet houdt aan de voorwaarden van het pact: Brussel heeft immers een "procedure voor buitensporig begrotingstekort" geopend tegen vrijwel alle lidstaten. De collectieve inspanning waarmee wordt beoogd de Europese openbare financiën te herstellen en deze op lange termijn houdbaar te maken, is buitengewoon.

Dit kan echter alleen vruchten afwerpen als Europa zich de middelen verschaft om structurele hervormingen uit te stippelen en door te voeren. Het nationale economische beleid moet minder autonoom worden, en communautaire maatregelen en controlemechanismen moeten worden versterkt. Gebeurt dat niet, dan komt niet alleen de financiële discipline in het gedrang, maar ook de interne markt en de positie van de euro. En dat probleem zou duur kunnen uitpakken voor de landen die barrières blijven opwerpen voor een gemeenschappelijke beleidsvoering om hun soevereiniteit te behouden omdat zij ervan overtuigd zijn dat een "van buitenaf opgelegde discipline" overbodig is.