"U hebt gelijk, meneer, wij hebben inderdaad aanleg voor vreemde talen!" Ik was in 2006 in Brussel voor een conferentie over de positie van Roemenië in de EU, en was toevallig bij een Roemeense taxichauffeur ingestapt.

Onderweg zat ik hardop te denken wat ik zou gaan zeggen en was ik een praatje begonnen met mijn landgenoot. "In welke sector blinkt Roemenië uit en hebben wij meer te bieden dan andere landen?" vroeg ik hem. "Ik zou zeggen de landbouw en het toerisme, zoals iedereen zegt…", antwoordde de chauffeur. "*Misschien programmeurs, of hoe zeg je dat... IT-ers?**"* En opeens realiseerde ik me: "*Tolken en vertalers, meneer, dat is wat wij Europa kunnen bieden!"* De chauffeur stond enigszins perplex. En dat terwijl er op zijn taxi stond: "*Wij spreken Engels en Spaans.*"

Meertaligheid, een Roemeense deugd

Het spreken van vreemde talen staat in Roemenië hoog aangeschreven. Ik heb altijd het idee gehad dat er in Boekarest relatief veel meer mensen waren die iemand in het Engels (of Frans of Duits) de weg konden wijzen in hun stad, dan in Sofia, Praag of Boedapest. Scandinaviërs spreken allemaal vloeiend Engels of Duits, maar meer naar het zuiden ligt het iets ingewikkelder: voor de Fransen zijn er de laatste tijd dure overheidscampagnes gevoerd om hen zo ver te krijgen dat ze Engels gaan leren; de Italianen zijn te zeer betoverd door de schoonheid van hun eigen taal; en de Spanjaarden leren plaatselijk de taal van de toeristen die in de meerderheid zijn (Duits of Frans, terwijl ze al zoveel moeite hebben om Castiliaans of Catalaans te leren).

Toen het hoofd van de delegatie van de Europese Commissie in Roemenië, Jonathan Scheele, tijdens de conferentie de vraag stelde op welk terrein de sterke punten van Roemenië zouden liggen, noemde ik bevlogen alles op wat ik eerder in de taxi had gerepeteerd. "*Tot voor kort waren wij de kleermakers van Europa, en daar hoefden we ons niet voor te schamen, maar waarom zouden wij niet de tolken en vertalers van Europa kunnen zijn? In Roemenië worden staatshoofden belachelijk gemaakt als ze een flater slaan in de vreemde talen; in andere landen gebeurt dat echt niet**.*" Bij ons is dat de gewoonste zaak van de wereld. Als je je talen niet spreekt, wordt dat gezien als een schande. In het Westen maakt niemand zich daar druk om. Zij zijn geobsedeerd door hun imposante cultuur en hoeven niet zo nodig de taal van hun buurlanden te leren.

Het grootste tolken- en vertalerskorps ter wereld

Is het dan toeval dat de eerste Roemeense Europees commissaris, Leonard Orban, werd opgezadeld met de volkomen nieuwe portefeuille Meertaligheid, toen Roemenië in 2007 lid werd van de Europese Unie? Toch waren veel Roemeniërs destijds boos dat deze – bij een 'tweederangs land' passende – post aan Roemenië werd toegekend.

Uiteindelijk heeft Orban niet stilgezeten, gedurende de bijna drie jaar dat hij commissaris voor Meertaligheid was: zo is het bijvoorbeeld aan hem te danken dat het Keltisch uit Ierland als officiële taal van de Unie erkend is, terwijl de Catalanen, de Corsicanen en de Basken ook een verzoek van die strekking hebben ingediend. Toen hij nog maar net in functie was, richtte hij zich op het organiseren van zijn dienst, en met name op het opzetten van het grootste tolken- en vertalerskorps ter wereld. Bovendien moest hij, als eerste commissaris op deze post, het terrein nog verkennen. Hij vond zelfs een thema voor een communautaire strategie: "Meertaligheid en het concurrentievermogen van de economie", en hij zette een systeem van Erasmus-beurzen op voor het bedrijfsleven. Zelfs de Britten hadden namelijk gemerkt dat hun bedrijven veel geld en productiviteit misliepen, omdat ze al tientallen jaren geen moeite meer hadden gedaan om een vreemde taal te leren, aangezien het Engels hun wel voldoende leek om zaken te doen. De Fransen hebben dit begrepen en lanceerden vorig jaar met veel tamtam een spectaculaire (en bijzonder humoristische) campagne waarin mensen werden aangespoord om Engels te gaan leren. Samenvattend kunnen we stellen dat Orban binnen de Commissie een onzeker, aarzelend Roemenië moest vertegenwoordigen, dat een groentje was in de dagelijkse praktijk van de Europese bureaucratie.