Afgelopen week toen premierJosé Socrates zijn best deed om de markten ervan te overtuigen dat Lissabon de overheidsuitgaven moest verlagen om binnen vier jaar het tekort terug te dringen (dat ver boven de in Maastricht vastgelegde normen uitstijgt) heeft het Portugese parlement de aan Madeira en de Azoren toegewezen geldelijke middelen verdubbeld. Een niet exorbitante uitgave (50 miljoen euro), maar een zeer slecht signaal voor de internationale financiële wereld. Deze ziet hierin het bewijs dat de socialistische regering, die na de verkiezingen van september jl. de absolute meerderheid heeft verloren, nu overgeleverd is aan de aanvallen van middenrechts en extreem links, een heterogene oppositie die het echter onderling met elkaar eens is de eigen belangen en die van hun electoraat voorrang te geven boven het nationaal belang. Het is voortaan duidelijk dat Portugal niet alleen op de structurele grenzen van een weinig competitieve economie stuit, maar eveneens de prijs betaalt voor een zekere ongeschiktheid van zijn politieke klasse.

Slecht beleid heeft een economisch prijskaartje

Volgens een recent onderzoek van de OESO is Portugal het Europese land waar het vertrouwen in het parlement het kleinst is (19% tegen 64% in Denemarken, het andere uiterste van de Europese Unie). Dit scepticisme lijkt gerechtvaardigd, want het komt grosso modo overeen met de classificatie van de Wereldbank over de kwaliteit van de governance. Het zijn in het algemeen bedrijven uit Zuid-Europa, inclusief Italië, die het minst vertrouwen hebben in hun politieke klasse en van mening zijn dat ze slecht worden geregeerd. De bedrijven in Scandinavisch Europa zijn het meest tevreden. De OESO noemt bij hen kwalificaties als interne solidariteit, vertrouwen in hun instellingen en een gemeenschappelijk gevoel van saamhorigheid. Het is mogelijk dat deze positieve eigenschappen de betrokken landen een groot economisch voordeel geven, zoals het gemakkelijker en coherenter kunnen toepassen van collectieve regels, fiscaal beleid, de strijd tegen corruptie en de jacht op verspilling.

Aan de marge en de verkeerde kant van Europa

Portugal bevindt zich in de periferie en aan de verkeerde kant, in het uiterste westen van een werelddeel dat de logistiek naar Oost- en Zuidoost-Europa verplaatst, waar de bedrijven expansiemarkten vinden met goedkope arbeidskrachten en enorme fiscale mogelijkheden. Net als Spanje heeft Portugal zich ingespannen er iets tegen te doen door de ontwikkeling op twee vlakken te concentreren: een Europees vlak, met de overtuiging dat deze landen die na tientallen jaren van dictatuur stevig in de Europese Gemeenschap en het democratische systeem zijn verankerd; en een Atlantisch vlak gericht op de voormalige koloniën, Brazilië, maar eveneens de Afrikaanse markten van Angola en Mozambique, waar tegenwoordig alleen de Chinese investeringen hoger zijn dan de Portugese. Het zijn ideale markten voor producten uit lagelonenlanden, die echter van mindere kwaliteit zijn. Het Europese afzetgebied stimuleert de Portugese industrie daarentegen om zich te richten op technologische specialisaties, hoofdzakelijk alternatieve vormen van energie, een gebied waarop Portugal een interessant kwaliteitsniveau heeft bereikt.

Bij laagvliegen doet neerstorten minder pijn

Dat alles zorgt voor een soms dynamische maar dikwijls ook lome economie, zowel waardig als formeel naar het evenbeeld van de hoofdstad Lissabon. Het laagvliegen heeft wel als voordeel dat de pijn bij een eventueel neerstorten minder groot is. In de loop van de afgelopen tien jaar is het Portugees BBP met 1,5% gestegen, minder dan in de rest van de Unie, maar nu doet zich een daling van – 2,6% voor, die kleiner is dan in de rest van Europa, waar deze – 4% is. Aan het begin van de recessie heeft de regering geprobeerd de economie levendig te houden door strategische infrastructuren te financieren als de hogesnelheidstrein Lissabon-Madrid, om het land uit zijn geografische marginaliteit te halen. Maar de toename van de overheidsuitgaven heeft de regering eerst gedwongen het tempo te verlagen en vervolgens een strenge begroting voor 2010 goed te keuren die de internationale financiële instellingen maar voor de helft heeft kunnen overtuigen. Begin februari was de staat genoodzaakt een lancering van obligaties op te schorten vanwege de extreem hoge rentevoet die de markt oplegde. Enkele dagen later, de storm was gaan liggen, was de vraag viermaal groter dan het aanbod. Maar alleen een rigoureus stabiliteitsplan zoals de Europese Commissie dat van Lissabon en Athene verlangt, kan Portugal behoeden voor andere gevaren. En dan moet het onvoorspelbare Portugese parlement het plan ook nog eens goedkeuren.