"Het is aan de Servische bevolking om de leiders te kiezen die ze wenst." Dat is het antwoord van Brussel op de vraag aan welke gesprekspartner in Belgrado de voorkeur wordt gegeven na de presidentsverkiezingen, de parlementsverkiezingen en de lokale verkiezingen die op 6 mei in Servië worden gehouden.

Binnenskamers wordt echter toegegeven dat men hoopt op een overwinning van zittend president Boris Tadić en de regeringscoalitie van zijn Democratische Partij, ook al was toetreding tot de EU voor het eerst sinds de overgang naar een democratisch bestel niet het belangrijkste verkiezingsonderwerp. Dat was vier jaar geleden wel anders.

In 2008 gaf de EU alle steun aan Tadić. Dat was vier maanden nadat in Kosovo de onafhankelijkheid werd uitgeroepen. Aan de vooravond van die verkiezingen startte de Europese Unie onderhandelingen over liberalisering van het visumbeleid, wat in 2009 leidde tot afschaffing van de visumplicht voor Serviërs in het Schengengebied. In diezelfde periode trad de Stabilisatie- en Associatie-Overeenkomst in werking.

De EU was destijds bang dat Servië zou terugvallen in "die afschuwelijke tijd van het nationalisme" als de "nationalisten" de verkiezingen zouden winnen, en besloot daarom de "krachten die de Europese toekomst van Servië waarborgen" te steunen.

"Tadić heeft teleurgesteld, maar blijft de beste keus”

Het groene licht dat kort geleden werd gegeven aan de Servische kandidatuur voor toetreding tot de EU kan eveneens worden gezien als steun aan Tadić voor de verkiezingen van 6 mei. "Tadić heeft ons een beetje teleurgesteld, maar desondanks blijft hij voor ons de beste keus. Als de nationalisten aan de macht komen, is het maar de vraag wat er van de dialoog tussen Serven en Kosovaren terechtkomt", aldus een hoge Europese ambtenaar die anoniem wil blijven.

Het is bijzonder interessant om te constateren dat dit keer niemand Tomislav Nikolić (leider van de Servische Vooruitgangspartij, die volgens de peilingen bij de parlementsverkiezingen eenzelfde aantal stemmen zal behalen als de Democratische Partij) als een ‘bedreiging’ ziet voor de Europese toekomst van Servië .

Verontrustender vindt men de aarzelende houding van Ivica Dačić, leider van de Socialistische Partij en voormalig medewerker van Slobodan Milošević, ook al stelde die zich als minister van Binnelandse Zaken bij de onderhandelingen over afschaffing van de visumplicht uiterst coöperatief op. Nikolić is een paar keer naar Brussel gekomen om met Stefan Füle, Europees commissaris voor Uitbreiding, te praten. En het is ook Nikolić die, om zijn imago te verbeteren, medewerkers naar Brussel heeft gestuurd.

Hoewel die aanpak redelijk succesvol was, neigt de EU toch meer naar Tadić. Ze maakt zich echter minder zorgen over de voormalige rechterhand van Šešelj [de leider van de nationalisten die door het Joegoslavië Tribunaal wordt beschuldigd van oorlogsmisdaden en misdaden tegen de menselijkheid en in den Haag zijn proces afwacht, red.] (Nikolić was in de radicale Partij zijn naaste medewerker voor hij zich afscheidde en de Servische Vooruitgangspartij oprichtte) of over Dačić, de rechterhand van Milošević, dan over Vojislav Koštunica, die ze om Milošević te verdrijven bij de verkiezingen van 2000 nog aan de overwinning heeft geholpen. Voor Brussel blijft Koštunica de enige echte "euroscepticus" van Servië.