Er staat een ouderwetse koffer op tafel. "Net aangekomen", zegt Gerhard Seitz, terwijl hij voorzichtig het deksel opent en een aantal foto’s en schriften tevoorschijn haalt. De schriften blijken vol dagboekaantekeningen te staan. Ze werden ooit geschreven door een Duitse variété artieste die furore maakte in de jaren dertig van de vorige eeuw. Na haar dood kwam de koffer op een rommelmarkt in Berlijn terecht. Iemand kocht hem en stuurde de hele handel naar Seitz.

Seitz is directeur van het Deutsches Tagebucharchiv in Emmendingen, een stad in het Zwarte Woud. "Wij krijgen wel vaker dergelijke vondsten", zegt hij. Niet alleen erfgenamen weten het Tagebucharchiv te vinden. Sinds Frauke von Troschke het archief in 1998 oprichtte, komen er jaarlijks meer dan tweehonderd dagboeken binnen, ook van mensen die nog leven. Het archief kent slechts twee regels: de dagboeken moeten in het Duits zijn geschreven, en alleen ongepubliceerde dagboeken worden opgenomen.

"Het archief voorziet in de menselijke behoefte om voort te bestaan na de dood", verklaart Seitz de vloed aan persoonlijke aantekeningen. Drie donkere ruimtes in het oude Emmendinger raadhuis herbergen de indrukwekkende verzameling schriften, notitieboekjes en soms professioneel ogende ingebonden dagboeknotities. Het oudste document – een bont versierd reisdagboek waarin de auteur vooral aandacht besteedt aan de lichamelijke kwaliteiten van de meisjes die zijn pad kruisen – stamt uit het begin van de negentiende eeuw. De indrukwekkendste geschriften zijn de oorlogsdagboeken. "Soms stuurt iemand een dagboek in waarin hij vertelt wat voor verschrikkelijke dingen hij in de oorlog heeft gedaan", zegt Seitz. "Zo iemand durft niet over zijn ervaringen te praten, maar wil die toch vastleggen".

Geschiedenis wordt niet alleen gemaakt door vorsten en politici

Toen Von Troschke het archief opzette, deed ze dat niet alleen om mensen de kans te geven hun persoonlijke aantekeningen voor het nageslacht te bewaren. Ze kwam op het idee na een bezoek aan een dagboekenarchief in het Italiaanse stadje Pieve Santo Stefano dat in 1984 werd opgericht. Ook hier kun je je herinneringen achterlaten in de zekerheid dat die worden bewaard. De oprichters van het Italiaanse archief lieten zich echter ook leiden door de gedachte dat geschiedenis niet alleen wordt gemaakt door vorsten, generaals en politici, maar vooral door gewone mensen. Dat is ook het idee achter het Deutsche Tagebucharchiv, zegt Seitz. "Autobiografische geschriften als dagboeken maken de geschiedenis concreet. Natuurlijk zijn er altijd al dagboeken verzameld, maar die waren bijna altijd van bekende mensen als schrijvers of politici. Ons gaat het om de ervaringen van heel gewone mensen".

Ook in Frankrijk bestaat een dagboekenarchief. In 1992 werd in de openbare bibliotheek van Nyon (in Zwitserland, aan het Meer van Genève) een tentoonstelling ingericht van dagboeken en ongepubliceerde memoires en brieven. Een van de initiatiefnemers was Philippe Lejeune. Hij plaatste een oproep in een Frans tijdschrift waarin hij dagboekschrijvers vroeg hem te vertellen waarom en hoe vaak ze een dagboek bijhielden, wat voor papier of welk soort schriften ze gebruikten en wat ze met hun aantekeningen deden. Hij kreeg de meest uiteenlopende antwoorden. In 1992 richtte hij met geestverwanten de Association pour l’autobiographie et le Patrimoine Autobiographique (Apa) op. Net als het Deutsche Tagebucharchiv beschouwt de Apa het als haar belangrijkste taak dagboeken te verzamelen. Opgeslagen worden die in de openbare bibliotheek van Ambérieu-en-Bugey, in de buurt van Lyon.

Het Niod heeft dagboeken van Anne Frank, maar vooral van niet-beroemde mensen

Maar hoe zit het in Nederland met het verzamelen van dagboeken? In 1944 vroeg minister Gerrit Bolkestein de Nederlandse bevolking via Radio Oranje alle geschreven teksten over hun dagelijkse ervaringen goed te bewaren. Zijn motieven verschilden niet van die van Von Troschke of Lejeune. Anne Frank raakte door deze woorden zo geïnspireerd dat ze besloot haar dagboek te herschrijven en na de oorlog als roman uit te geven.

In 1946 vroeg het pas opgerichte Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie (Riod) de Nederlandse bevolking hun oorlogsdagboeken, brieven en foto’s af te staan. Duizenden mensen gaven gehoor aan de oproep. Sindsdien bezit het instituut, dat inmiddels Niod heet, een schitterende collectie oorlogsdagboeken – niet alleen van schrijvers als Anne Frank, maar vooral van mensen die niet beroemd zijn.

Dergelijke dagboeken kun je ook vinden in het Instituut voor Vrouwengeschiedenis (Aletta) en het Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis (IISG). Bovendien worden sinds de jaren negentig geschriften tussen 1500 en 1918 geïnventariseerd door Rudolf Dekker, docent geschiedenis aan de Erasmus Universiteit Rotterdam.

Maar stel dat je een dagboek hebt van na 1918 dat niet direct te maken heeft met de oorlog of met de vrouwenbeweging. Waar breng je dat veilig onder? Waar is, met andere woorden, het Nederlandse dagboekarchief ? Het antwoord is: nergens. Hoog tijd dus voor een Nederlands archief.