Ze had nog nooit zo’n indrukwekkende reis gemaakt. Toch was Florence Aubenas door haar werk gewend om op pad te gaan: verslaggever zijn betekent immers reizen. In de afgelopen twintig jaar is ze voor verschillende kranten (Libération en nu Le Nouvel Observateur) in probleemwijken geweest, maar ook in oorlogsgebieden, op politiebureaus, in rechtszalen of in fabrieken waar wordt gestaakt. Nieuwsgierig, sterk en ongeduldig is ze – zozeer dat ze er een hoge prijs voor moet betalen: in 2005, in Bagdad, hadden mannen haar ontvoerd en gevangen gehouden, samen met haar Irakese metgezel. Ze is waardig en op een bepaalde manier beroemd uit deze lange en zware gevangenschap (157 dagen) gekomen.

Toch heeft de journaliste dit keer niet het vliegtuig hoeven nemen. Voor haar bestemming was dat niet nodig: Caen, op twee uur van Parijs, is zo goed als naast de deur. Maar in deze stad is pas echt door het stof gegaan, zowel op menselijk als op professioneel gebied. Gedurende bijna zes maanden was Florence Aubenas een doodgewone ”Madame Aubenas”, een vrouw van 48 jaar zonder noemenswaardige diploma’s – een van de vele, tientallen werklozen die haar niet kenden als journaliste. Dag na dag heeft ze zich ondergedompeld in de vormeloze menigte van werkzoekenden, van hen die van de ene klus in de andere vallen, tijdelijke contracten voor laag gekwalificeerd werk en onderbetaalde klusjes. Een hele groep mensen voor wie overduidelijk geen echt baan meer wordt gevonden, alleen wat losse ‘uren’ hier en daar, en dan nog moet je geluk hebben.

Ze schreef zich in als werkzoekende om de crisis aan den lijve te ondergaan

Toen ze op het idee kwam om dit aan den lijve te ondergaan, had Florence Aubenas verschillende boeken over infiltratie gelezen, te beginnen bij Ik (Ali) (Ambo|Anthos, 2010), van Günter Wallraff, het bekendste in dit genre. Toentertijd vroeg ze zich af of de journalistiek wel het meest doeltreffende middel was. Zou een artikel iets kunnen veranderen? ”Ons werd verteld : ”Het is crisis: alles wordt erin meegesleurd”, en ik zat maar aan mijn bureau, raakte in de war: de werkelijkheid zakte onder mijn voeten weg. Sinds ik werkte was de crisis er nog steeds, alomtegenwoordig en ongrijpbaar tegelijkertijd. Ik kon er moeilijk grip op krijgen.

Vandaar haar beslissing om naar Caen te gaan, waar ze zich inschreef als werkloze en het leven leidde van een werkzoekende, om te vertellen over ”het Frankrijk dat de eindjes niet aan elkaar kan knopen” : eigenlijk deed ze gewoon haar werk als journaliste, maar dan langer, diepgravender en dus ook meer verhelderend. Niet op mensen afstappen met een notitieblokje in de hand, maar ”deel van hen uitmaken, met alle beperkingen die daarbij horen”. Zich in de huid van een werkloze verplaatsen omdat ”niet alles via woorden gaat. Ik wilde de grens van het praten overschrijden : daar léven, om niet bijvoorbeeld geneigd te zijn om me vooral op mensen te richten die zich goed kunnen uitdrukken, zoals ik het als journalist gedaan zou hebben”.

Toen ze vertrok naar Caen had ze zich voorgenomen om te blijven totdat ze een tijdelijk contract zou weten te bemachtigen. Vier maanden leken haar een redelijke termijn. Eenmaal ter plaatse moest ze haar eisen wel bijstellen. ”Ik heb er slechts anderhalve maand over gedaan om iets te vinden”, zegt ze. Werk ? Nee, natuurlijk niet : een paar magere uurtjes, ‘s morgens vroeg of aan het eind van de dag, op de ferry die het Kanaal oversteekt en op kantoren, op campings, in flatgebouwen. In het begin schrijft ze elke avond over haar bevindingen, daarna nog maar om de dag, vanwege haar vermoeidheid. ”Hoe meer tijd er verstreek, hoe meer het begon te lijken op een dagboek. Na een maand geef je het op. Ik was niet langer iemand die zijn nek uitsteekt, maar iemand die de controle verliest en die probeert te overleven”.

De constante vrees om te worden ontmaskerd als journaliste

Heeft ze nog aan haar gijzelervaring gedacht ? Nee, niet echt, maar het is waarschijnlijk, merkt ze op, dat ze ”zonder die gevangenschap nooit het lef zou hebben gehad om te doen wat ze heeft gedaan”. De constante vrees trotseren om te worden ontmaskerd, de angst om belachelijk gemaakt te worden maar vooral om ”de tijd vrij spel te geven, de tijd, een zo kostbare aangelegenheid voor een journalist”. De tijd van een werkloze wordt gevormd door wachten en nog eens wachten, eindeloze (en niet vergoede) reistijden naar plekken waar je een uurtje gaat werken ; van die tijd had ze uiteraard geen idee voordat ze erdoor werd opgeslokt.

Florence Aubenas heeft zich er niet toe kunnen zetten om de huur van haar kamer in Caen op te zeggen. Op die paar vierkante meter (huur : 348 euro per maand), heeft ze het grootste deel van haar boek [Le Quai de Ouistreham, Editions de l’Olivier] geschreven. Toen ze ernaar toe ging had ze besloten om het geld te gebruiken dat haar boek over het [kindermisbruik]proces van Outreau (La méprise, Seuil, 2005) had opgeleverd. ”Ik had dat bedrag opzij gelegd, het was heilig : ik ging toch zeker geen auto kopen met het geld van Outreau!” Daar had ze goed aan gedaan : in die zes maanden van hard werken, heeft ze op geen enkel moment genoeg verdiend om in haar levensonderhoud te voorzien. Zelfs niet genoeg om op zeer bescheiden wijze te leven.