Een crisistop mag het niet heten, het informele samenkomen van de regeringsleiders van de Europese Unie in Brussel vanavond. Maar met Griekenland dat op het punt staat de eurozone te verlaten, een Spaans bankenstelsel op het randje van faillissement, een recordwerkloosheid in de Europese Unie en een Europese economie die maar blijft krimpen, mag er in elk geval gesproken worden van een top in crisistijd.

Volgens voorzitter Herman Van Rompuy van de raad van regeringsleiders zal de top van vanavond in het teken staan van groei. Dat blijkt het nieuwe toverwoord in Brussel: vrijwel alle actoren die ertoe doen in Europa hebben al gesproken over de noodzaak van economische groei. De Franse president Hollande maakte er het verkiezingingsthema van waarmee hij zijn rivaal Sarkozy versloeg.

De baas van de Europese Commissie Barroso ziet een prachtige taak weggelegd voor Brussel: grote infrastructuurprojecten onder leiding van zijn commissie die de Europese economie weer leven moeten inblazen.

Economische groei is als wereldvrede

Dat een hogere economische groei kan helpen om de schuldenproblemen op te lossen, daar is eigenlijk iedereen het wel over eens. De vraag is hoe regeringsleiders ervoor kunnen zorgen dat die groei hoger wordt. Het Britse tijdschrift The Economist vergeleekeconomische groei met de wereldvrede: iedereen is voor, maar verschilt van mening over de manier waarop die vrede bereikt moet worden.

De economische wetenschap biedt in deze ook geen uitkomst. Al sinds de financiële crisis eind 2008 losbarstte met het omvallen van de Amerikaanse zakenbank Lehman Brothers woedt er een debat tussen economen over de uitweg uit de crisis. Grofweg zijn daarin twee hoofdrichtingen weer te geven. Aan de ene kant zijn er de voorstanders van grootschalige stimuleringsmaatregelen door de verschillende nationale overheden. Aan de andere kant staan degenen die pleiten voor snelle bezuinigingen.

De boodschap van bondskanselier Merkel dat overheden hun tekorten moeten terugbrengen wordt ervaren als dogmatisch, terwijl critici erop wijzen dat de problemen in veel zuidelijke landen – Griekenland en Spanje voorop – alleen maar groter geworden zijn. Bezuinigen in tijden van recessie maakt die economische malaise alleen maar groter, luidt het credo.

De belangrijkste pleitbezorger van die theorie is de Amerikaanse Nobelprijswinnaar Paul Krugman. Via zijn columns in The New York Timeswast hij aanhoudend de Europese regeringsleiders de oren. Ze zouden geloven dat er zonder pijn (in de vorm van bezuinigingen) geen economische groei mogelijk is. Deze moralistische visie is failliet, aldus Krugman, en hoe sneller Europa van dit pad afraakt hoe beter het zal zijn. De verkiezingsuitslagen in Frankrijk en Griekenland kwamen voor hem niet onverwacht: het was zelfs het bewijs dat de Europese burgers de weg uit de crisis beter weten dan het gros van de beleidsmakers.

Japan kampte in 2008 met een soortgelijke crisis

Een duidelijker voorbeeld voor de tegenstanders van stimuleringsbeleid is Japan. Dat land kampte in het begin van de jaren negentig met een soortgelijke crisis als de Verenigde Staten en Europa in 2008.

Sinds die tijd heeft de Japanse overheid geprobeerd met stimuleringsmaatregelen de economie uit het slop te trekken. Maar al dat geld heeft niet kunnen voorkomen dat Japan al twintig jaar slechts minimale economische groei kent, en regelmatig terugvalt in recessie.

Voorstanders van stimuleringsbeleid wijzen erop dat de Japanse overheid veel te laat heeft ingegrepen: in de eerste jaren na het klappen van de zeepbellen voerde de overheid juist een bezuinigingspolitiek, vergelijkbaar met Europa nu.

Maar zelfs als men het erover eens zou zijn dat bezuinigen in recessietijd schadelijk is, dan nog rest de vraag waar de overheid extra geld aan moet uitgeven. Het makkelijke argument van de pleitbezorgers van stimuleren, zo stellen de tegenstanders, is dat de overheid de vraag in de economie moet ondersteunen. Maar vraag waarnaar? De overheid maakt geen dingen, afgezien van infrastucturele werken als wegen, dijken en bruggen. Dat is dan ook vaak de manier waarop de economie in de praktijk gestimuleerd wordt. Maar wordt de economie daar beter van?

Een brug van 2 miljard euro voor 800 mensen

Beroemd is het Japanse verhaal van een brug die 2 miljard dollar heeft gekost, om een eiland waarop 800 mensen wonen beter bereikbaar te maken. De overheid heeft op die manier een aantal bouwbedrijven een mooie opdracht bezorgd en mensen tijdelijk werk gegeven, maar de economie wordt er weinig productiever op. Bovendien is de vraag of dergelijke projecten de economie wel in gang kunnen zetten, of dat de bouwvakkers als de brug af is en de overheid uiteindelijk geen geld meer uit kan geven niet alsnog zonder werk komen te zitten.

In Europa wordt die praktische discussie nog niet echt gevoerd. De Europese geschiedenis staat echter vol van de voorbeelden: de snelwegen in Spanje en Portugal waarover toeristen hun vakantiebestemming bereiken zijn veelal met Europees geld gefinancierd. Arme regio's worden nog altijd ondersteund met geld van de structuurfondsen van de Europese Commissie.

De voorzichtige plannen die al geopperd worden om de groei in Europa aan te jagen lijken daar op: meer budget voor de Europese Investerings Bank om grote projecten te financieren, meer geld voor de Commissie om het huidige werk uit te breiden.

Vanavond moet blijken of de regeringsleiders er vertrouwen in hebben dat dit voldoende is om de economische groei in Europa echt aan te jagen. Als de portemonnee al getrokken mag worden.