Als Joachim Seifert zijn levensverhaal vertelt, begint hij in 1864. "In het jaar 1864", zoals hij zegt, voordat hij in korte zinnen verder gaat met zijn verhaal. "Een pet houdt je warmer dan een muts", is bijvoorbeeld zo'n korte zin. En naast zijn anorak draagt hij dan ook een witte mijnwerkerspet. Het is een pet zoals deze die hem dertig jaar lang beschermde onder de grond, en vandaag, de dag voor zijn 75e verjaardag, is het Ruhrgebied culturele hoofdstad geworden en staat het verleden van deze voormalige mijnwerker op het programma.

Hij legde al aan duizenden bezoekers uit hoe hij en zijn collega's de kolen uit de grond haalden, totdat het mijnencomplex Zollverein uiteindelijk gesloten werd. En als ze hem vragen waarom hij al die moeite doet, antwoordt hij dat hij daarvoor terug moet denken aan het jaar 1864. "In dat jaar kwam de opa van mijn vrouw hier aan. Hij was het eerste lid van onze familie die voor Zollverein ging werken."

Voor het eerst werd een hele Duitse regio aangewezen werd als Culturele hoofdstad van Europa. Wat de jury deed besluiten de Ruhr te kiezen was de volharding waarmee de regio zich inzet voor recycling: van kolen tot cultuur.

Stempel op de cultuur

Hoewel er bijna geen kolen meer gedolven worden, drukt de winning ervan nog wel zijn stempel op de cultuur en de ontwikkeling van deze regio die zijn 170-jarige verjaardag viert. Degenen die verantwoordelijk zijn voor dit feestelijke jaar wijzen erop dat in het Ruhrgebied cultuur veel verder gaat dan de industriecultuur. De regio herbergt honderdtwintig theaters, vijf universiteiten en honderden onderzoeksinstituten. Een maand geleden heropende het Folkwangmuseum zijn deuren, met een project over David Chipperfield. Het Ruhrgebied is een moderne stadsregio, de derde grootste stedelijke agglomeratie van Europa. De 5,3 miljoen inwoners schudden het stof uit het verleden van zich af, en richten zich op de toekomst.

Toch wonen er, te midden van naoorlogse architectuur, discountzaken en volkstuintjes, 275000 werklozen. Van de tweehonderd mijnschachten die er ooit actief waren, zijn er nog maar vier over. 53 steden strekken zich uit over 4435 vierkante kilometer tussen Hamm en Wesel, en bijna alle gemeentes moeten tegenwoordig rondkomen van een crisisbudget. Wat ontbreekt, is een gemeenschappelijke identiteit. Het Ruhrgebied is geen metropool maar een versnipperde agglomeratie met een groot gemeenschappelijk mijnverleden.

De hoop was enorm. Alle ogen waren gericht op Liverpool, dat twee jaar geleden dezelfde eer te beurt viel, en waar het 'culturele hoofdstad-schap' lonend leek. Want toen de balans werd opgemaakt, bleken de inkomsten vijf keer hoger te zijn dan de uitgaven. Bovendien had Liverpool zijn reputatie van treurig arbeidersoord kunnen afschudden. De verantwoordelijken voor "Ruhr 2010" dromen ervan dit kunststukje te herhalen en een toonbeeld van succes te zijn. Zo wordt in juli op twintigduizend tafels de "langste tafel ter wereld" gedekt op een stuk door files geplaagde Autobahn . Voor de tijd van een maaltijd zullen de inwoners, die elkaar normaliter zelden spreken, het verkeer overwinnen dat al sinds tijden een probleem vormt in de regio.

Twijfel binnengeslopen

Maar in de tussentijd is de twijfel binnengeslopen. Door de hevige economische crisis hebben de sponsors hun beloftes niet kunnen houden. In plaats van van tachtig miljoen is het budget maar 62,5 miljoen euro. Grote projecten blijven liggen. En de vraag wordt gesteld: hoe kunnen we een regio ontwikkelen die al een betalingsachterstand heeft? En hoe kunnen we een structurele verandering bewerkstelligen in deze verstarde omgeving , waar de levens van honderdduizenden onlosmakelijk verbonden zijn met de mijnen?

Geen enkele andere Duitse regio was het toneel van een dergelijke sterke industrialisatie. Binnen enkele decennia veranderde het moeraslandschap in een gigantisch industriegebied. Zeven miljard ton kolen werden er omhoog gehaald tot aan de crisis in de mijnensector. Twee oorlogen, een 'Wirtschaftswunder' en de Koude Oorlog, staal voor auto's, staal voor wapens. Honderdduizenden arbeiders kwamen erop af, en kwamen terecht in de immigrantenwijken en arbeiderswijken rond de industriegebieden.

In december 1986 ging de laatste ploeg ondergronds. In termen van levensangst, was dit leven lang overzichtelijk en geborgen. Voor enkelen voelen de rondleidingen, concerten en exposities die in de voormalige mijnen georganiseerd worden, als rouwverwerking.

Decreet voorkwam vernietiging Zollverein

In 1986 voorkwam een ministerieel decreet de vernietiging van Zollverein. Toen werd er een nieuw, ambitieus plan bedacht om met dit monumentale arbeidssymbool geld te verdienen. Zo werden de mijnschachten veranderd in wat men voor ogen had voor het hele Ruhrgebied: een centrum van creativiteit. De Nederlandse architect Rem Koolhaas ontwierp een oplichtende oranje roltrap voor het bezoekerscentrum en zijn Britse collega Norman Foster transformeerde het ketelhuis.

Tot op heden neemt het aantal bezoekers nog steeds toe, en werden er duizend banen geschapen. Eén daarvan is voor de zoon van Joachim Seifert. Hij was ook mijnwerker, maar heeft gestudeerd en werkte mee aan de ontwikkeling van de animatiefilms die zijn vader in de voormalige kolenwaszaal projecteert. De familie Seifert heeft zijn structurele verandering al achter de rug. "Mijn zoon vertegenwoordigt de vierde generatie in de mijn", verklaart zijn vader trots. En toch is de mijn geen goed voorbeeld. Zollverein kost de Europese Unie, de deelstaat Rheinland-Westfalen, en de stad Essen 155 miljoen euro. Het zal moeilijk zijn een veelvoud van dit bedrag op te brengen.