Het kan een belangrijk jaar worden voor de toekomst van de Europese defensie. De landen die in Afghanistan tegen de taliban vechten, zullen erachter komen of hun nieuwe strategie van tegen-rebellie op de grond zoden aan de dijk zet. Voor de NAVO en de Europese Unie zal duidelijk worden of het conflict op Cyprus wordt opgelost of in de ijskast wordt gezet, wat van belang is omdat het lidmaatschap van beide allianties, de NAVO en de EU, aanzienlijke overlapping vertoont en Cyprus het enige en grootste struikelblok is voor nauwere samenwerking tussen de twee.

Sinds het einde van de Koude Oorlog twee decennia geleden werd met diverse herijkingen van defensiestrategieën van afzonderlijke bondgenoten een belofte van "radicale verandering" uitgedragen. Maar de impact van dergelijke ambities is vaak miniem gebleken, niet alleen in de lidstaten maar net zozeer op supranationaal niveau. De strijdkrachten van de Europese Unie, waarvoor in 2004 plannen het licht zagen, moesten ervoor zorgen dat de Europese Unie sneller en flexibeler kon inspelen op crises. Tot op de dag van vandaag is er nog geen enkele strijdkracht daadwerkelijk ingezet.

Noch de NAVO nog de EU beschikt over middelen om het soort oorlog van de taliban te voeren

Wat is het verschil tussen toen en nu? Dat kan in twee woorden worden samengevat: Afghanistan en begrotingen. Afghanistan heeft duidelijk gemaakt dat noch de NAVO, noch de Europese Unie, noch haar lidstaten over de middelen beschikken om het soort oorlog van die tegen de taliban te voeren. Zij zullen zich moeten aanpassen als zij deze strijd willen winnen.

Begrotingstekorten hebben een dermate hoge vlucht genomen dat de druk voor efficiëntere defensie-uitgaven is toegenomen. De defensiebegrotingen van de 27 lidstaten van de Europese Unie bedragen tezamen momenteel ongeveer de helft van de totale militaire uitgaven van de Verenigde Staten. Maar de Europese uitgaven zijn versnipperd en iedere lidstaat houdt voornamelijk vast aan een volledig leger, en daarom wordt volgens cijfers uit 2008 van het Europees Defensieagentschap (EDA) een veel kleiner deel besteed aan investeringen, waaronder onderzoek en ontwikkeling, dan in de Verenigde Staten: 42 miljard euro in Europa, tegenover 166 miljard in de Verenigde Staten. Daar staat tegenover dat de 26 lidstaten van het EDA (alle lidstaten van de Europese Unie, met uitzondering van Denemarken) in absolute zin meer middelen besteden aan personeel dan de Verenigde Staten: 106 miljard euro tegenover 93 miljard euro. Hieruit tekent zich een beeld af van opgeblazen legers die worden uitgerust door een bewapeningsindustrie die minder concurrerend is dan zij zou kunnen zijn.

De vastgeroeste gewoonte eigen dreigingsanalyses te doen

Dergelijke cijfers staven de logica achter het EDA. Met de projecten van dit agentschap wordt immers beoogd samenwerking op het gebied van onderzoek en ontwikkeling te versterken en op lange termijn een interne markt voor defensie te creëren. Maar het EDA en samenwerking op projectbasis worden meer in het algemeen nog steeds gehinderd door de vastgeroeste gewoonte dat de 27 lidstaten van de Europese Unie hun eigen dreigingsanalyses en strategische planning uitvoeren. De Europese veiligheidsstrategie, die in 2003 is uitgezet en in december 2008 in een nieuw jasje is gestoken, is veel te algemeen om als strategische richtsnoer te kunnen dienen. Maar een dergelijke overkoepelende leidraad is een bittere noodzaak omdat de lidstaten van de Europese Unie hun defensieprioriteiten op opvallend verschillende terreinen leggen, en daarbij weinig aandacht uitgaat naar complementariteit en schaalvergroting. Sommige lidstaten leggen de nadruk op verdediging van het grondgebied tegen een ingebeelde vijand, terwijl andere lidstaten hun middelen verleggen naar nieuwe vormen van oorlogvoering, zoals cybercriminaliteit. Weer andere lidstaten beschouwen vredeshandhaving en staatsopbouw als de voornaamste taak van het leger en spitsen zich dan ook meer toe op inzetbaarheid en 'zachtere' vaardigheden en bekwaamheden.

De ontwikkeling van het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid (GVDB) van de afgelopen tien jaar is grotendeels door de lidstaten aangestuurd. Maar zolang er geen adequate analyse van de defensiecapaciteiten van de lidstaten plaatsvindt en de vraag waarin zij elkaar kunnen aanvullen niet wordt beantwoord, zullen ad-hocoplossingen en nationaal beleid dat niet efficiënt genoeg is, de tenuitvoerlegging van dit beleid in de weg staan. Afghanistan is precies het soort crisis waarmee de kosten van deze aanpak worden blootgelegd.