Drie jaar geleden heeft de Europese Unie zichzelf een verplichting opgelegd: tussen nu en 2020 moet een tiende van de brandstof voor het Europese wegtransport afkomstig zijn uit duurzame energiebronnen. De nog steeds groeiende vloot elektrische voertuigen, voor een deel gevoed door wind- en zonne-energie, moet daaraan bijdragen.

Na 2015 moeten auto's en vrachtwagens die op waterstof en in principe dus ook op 'groene' energie kunnen rijden, in rap tempo worden gecommercialiseerd. Het zou mogelijk moeten zijn op deze manier de energieveiligheid te vergroten en de uitstoot van broeikasgassen te verminderen.

Maar de technologische revolutie heeft vertraging opgelopen en het zijn vooral de biobrandstoffen die ervoor moeten zorgen dat het doel toch wordt bereikt. Niettemin wordt binnen de wetenschappelijke gemeenschap en sommige ngo's steeds vaker verkondigd dat biobrandstoffen niet alleen maar voordelen hebben.

Biobrandstoffen dragen bij aan de stijging van de wereldprijzen voor voedingsmiddelen.De traditionele boeren uit de ontwikkelingslanden worden van hun grond verjaagd, waarop vervolgens de industriële landbouw oprukt met zijn pesticiden en kunstmest, met alle negatieve gevolgen daarvan voor de biodiversiteit. Bovendien worden de regenwouden verwoest.

Plantaardige oliën

In het licht van duurzame ontwikkeling heeft Europa laten weten het gebruik van biobrandstoffen te willen verplichten. Volgens de huidige wetgeving moeten, in tegenstelling tot de klassieke diesel en benzine, de planten waaruit de grondstoffen voor biobrandstoffen voor Europese motoren worden betrokken minimaal een vermindering van 35 procent van de broeikasgassen opleveren.

Ze mogen dus niet worden verbouwd in regenwouden of andere kwetsbare ecosystemen, want dan kan de doelstelling niet worden bereikt.

Waarom hebben meer dan honderd ngo’s dan onlangs een open brief met een waarschuwing gestuurd aan de Europese Commissie? Het antwoord omvat vier letters: ILUC, Indirect Land Use Change (Indirecte Verandering van Landgebruik).

Als je, op grond van de huidige wetgeving, met het oog op de productie van biodiesel koolzaad teelt op Europese landbouwgronden, lijkt alles te kloppen. Je verwezenlijkt onbetwistbaar een vermindering van de uitstoot van broeikasgassen, zelfs als je rekening houdt met de diesel die wordt gebruikt voor het oogsten en voor de productie van kunstmest, enz. Vroeger voorzagen echter plantaardige oliën uit planten als koolzaad in de plaatselijke behoeften.

Vandaag de dag eindigt de productie van koolzaad in dieselmotoren en moet Europa plantaardige oliën importeren. Deze worden voornamelijk in de vorm van palmolie geproduceerd op enorme plantages in Maleisië en Indonesië, op gronden die dikwijls worden ontgonnen door het platbranden van oerwouden en het droogleggen van moerassen.

Als je rekening houdt met de indirecte emissies, blijkt dat de productie van biobrandstoffen uit koolzaad veel negatievere gevolgen heeft voor het klimaat dan traditionele brandstoffen.

Het zoeken naar een oplossing

De Europese Commissie moet op zoek naar een oplossing die zo weinig mogelijk ontwrichtend is. Na twee jaar van discussie lijkt het er nu op dat de indirecte emissies zullen worden opgenomen in de wetgeving. Deze zomer moet er een voorstel worden gepresenteerd. Maar dat zal niet het einde van de biobrandstoffen betekenen.

Tegenwoordig vertegenwoordigt biodiesel 80 procent van de Europese markt voor biobrandstoffen. De rest komt voor rekening van bio-ethanol, een equivalent van biodiesel voor benzinemotoren. De geschiedenis van de biobrandstoffen is opnieuw een bewijs voor het probleem dat het vinden van een oplossing voor de huidige milieucrisis nog niet zo makkelijk is.

Europa riskeert nu het mikpunt van hoon te worden van klimaatsceptici en andere tegenstanders van de theorie dat de mens de oorzaak is van de opwarming van de aarde. Maar ondanks alles blijft de speurtocht naar een duurzame toekomst, ook al is die gelardeerd met mislukkingen, een lovenswaardig streven.