Zelfs al konden de "gekleurde revoluties" in Georgië en Oekraïne niet alle verwachtingen waarmaken, toch is hiermee een begin gemaakt met een vernieuwing van de staatsinrichting en de economie. Waarom is de Europese Unie dan zo terughoudend om ze te laten toetreden?

De schuld hiervoor kan bij meerdere partijen worden neergelegd. Ten eerste zijn er de lokale politieke elites. In Oekraïne ontbrak het ze aan de vastberadenheid om de "overwinning van Maidan" [genoemd naar het plein in Kiev waar de Oranjerevolutie van 2004 begon] om te zetten in hervormingsprogramma's. In Georgië daarentegen bleek het succes van de interne hervormingen de bron van een te groot vertrouwen dat fataal bleek voor het land toen de beslissing viel de oorlog te verklaren aan Rusland, en bleek het nieuwe regime uiteindelijk toch autoritair te zijn ondanks zijn "fluwelen voorkomen".

Europese politiek blijft gevormd worden door de Koude Oorlog

Deze twee houdingen bieden een uitstekend excuus voor de westerse elites die Georgië en Oekraïne niet alleen beoordelen op interne veranderingscriteria, maar ook, wat ze daar verder ook over zeggen, op geopolitieke criteria. Want geopolitiek is de tweede schuldige. Buurman Rusland, die de landen van de oude Sovjet-Unie nog steeds beschouwd als onderdeel van zijn invloedssfeer, overtuigt Europa er met succes van zich niet langer te bemoeien met regionale aangelegenheden. Op deze manier blijft de Europese politiek gevormd worden door de "koude oorlog". Tot slot is de derde schuldige het "Project" ofwel Europa dat zint op een steeds verdergaande samenvoeging van economie en politiek.

Bij de uitbreiding met nieuwe landen moet daarom rekening worden gehouden met het vermogen en de wil van deze landen om deel te nemen aan dit project en de bereidheid zich te schikken naar de regels die door de oprichtingslanden steeds verder zijn ontwikkeld en geïmplementeerd. In het tegenovergestelde geval zouden de nieuwe leden uit het Oostelijke randgebied slechts de voortgang vertragen van de door en voor het centrum ontwikkelde projecten. In dit licht zouden Georgië en Oekraïne wel eens een bron van ergernis kunnen zijn.

Polen, Tsjechen en Hongaren worden gezien als een bende onbeschaafde armen

Maar we mogen niet vergeten dat de landen in Centraal-Europa vergelijkbare problemen kenden toen zij de militaire structuren van het Warschaupact en de Raad voor wederzijdse economische bijstand (Comecon) verlieten. Vergelijkbaar op twee punten na. Onze postcommunistische elites waren niet zover gesovjetiseerd als in Oekraïne en bovendien kwam onze elite voort uit [de Poolse vakbond] Solidarność. Ook stond de geschiedenis aan onze kant. Dit betekende dat wij in Polen, Tsjechië en Hongarije een grote aanhang hadden, waardoor wij alle vrijheid hadden om aan te kloppen bij het Westen. Ondanks dat werden wij min of meer op dezelfde manier bekeken als waarop men nu naar het Oosten kijkt: als een bende onbeschaafde armen, in meerdere opzichten onbetrouwbaar, die er slechts op uit zijn de veiligheid en de welvaart te saboteren waaraan het Westen jarenlang gewerkt heeft.

Samenvattend: als barbaren die niet in staat zijn moeilijkere materie te begrijpen, en die zeker geen begrip zullen hebben voor het fenomeen van Europese integratie en van de wens bij dit proces op te gaan in de Unie. Daarentegen was onze geopolitieke situatie bij het verlaten van het communistisch blok slechter. Rusland was toen een nog veel onvoorspelbaarder land. Het was een afbrokkelende supermacht, in staat om ons nog opnieuw te verwonden. Ondanks deze vijandigheid zijn wij in onze opzet geslaagd. Waarom zouden Georgië en Oekraïne dat dan niet kunnen? Het antwoord op die vraag moet gezocht worden in de tijd die er sinds 1989 verstreken is, en waarin een aantal dingen radicaal veranderd zijn.

Europa ziet zichzelf niet meer als een supermacht

De "gekleurde revoluties" zijn geen verlengstuk van de herfst van het Volk van 1989, hoewel het aanzien en de retoriek ervan doen denken aan onze eigen ervaringen. Deze revoluties kwamen tot stand onder andere interne en externe omstandigheden, en ze veroorzaakten geen geopolitieke veranderingen op wereldschaal maar alleen in de regio. De politieke context in Europa werd er dus niet door veranderd, maar eenvoudigweg aangepast aan de nieuwe omstandigheden. Voor de uitbreiding van de Unie, die door professor Jan Zielonka (professor Europese studies aan de universiteit van Oxford) een aantal jaren geleden als een neo-imperialistisch project werd bestempeld omdat het gefundeerd zou zijn op de zucht naar macht en toegang tot nieuwe landen, zou uitbreiding naar het oosten op dit moment dus van weinig belang zijn. Anders dan in de jaren '90 laat Europa het beeld dat zij van zichzelf heeft als supermacht, langzamerhand los.

Je kunt daarom moeilijk verwachten dat het proces waarmee zij deze macht zou kunnen vergroten, voortzet. Deze houding heeft voor de aspirant-lidstaten tot gevolg dat zij er zich van bewust worden dat er ook een leven zonder de EU of NAVO mogelijk is. De hoofdthema's uit de Oekraïense politiek hebben zich buiten de invloed van de Europese factor om ontwikkeld. De Oekraïense staat heeft zich kunnen consolideren zonder last te hebben van perikelen rond een Europese integratie of toetreding tot de NAVO. In het Georgische geval was de situatie iets anders, maar de verloren oorlog tegen Rusland, vergezeld van de Europese en Amerikaanse onmacht, kan wel eens een veel grotere invloed op de moderne politieke identiteit van Georgië hebben dan hun wens volledige opgenomen te worden in het Westen, die zij tot augustus 2008 nog hadden.