De topvrouw van het IMF, Christine Lagarde, wond er afgelopen weekend in een interview met het Britse dagblad The Guardian bepaald geen doekjes om toen ze haar verbazing uitsprak over dit gevoel van onrecht. Wat haar betreft heeft Griekenland nou niet bepaald veel te klagen: "Ik denk eerder aan de kinderen van een school in een klein dorp in Niger, die slechts twee uur per dag les krijgen, een stoel met zijn drieën moeten delen en die niets liever willen dan toegang krijgen tot onderwijs. Ik denk voortdurend aan hen, aangezien ik van mening ben dat zij meer hulp nodig hebben dan de bevolking van Athene." Voor Lagarde "zouden de Grieken moeten beginnen elkaar onderling te helpen", en dat kunnen ze doen "door al hun belastingen te betalen".

Afgezien van de hardheid van haar woorden, die nogal onbedachtzaam zijn nu er over drie weken nieuwe Griekse verkiezingen gehouden worden, legt de directeur van het IMF de vinger op de zere plek.

De geldschieters hebben er zeker fout aan gedaan om Griekenland twintig jaar lang onbeperkt leningen te verstrekken. Maar ze hebben die fout duur betaald doordat ze meer dan zeventig procent van hun uitstaande schulden hebben moeten afschrijven (waarvan een flink deel voor rekening van Griekse investeerders zelf kwam, zoals banken, verzekeraars en pensioenfondsen). Het ging hierbij om 105 miljard euro, de grootste herstructurering van een schuld in de geschiedenis van het kapitalisme (voor Argentinië bedroeg die herstructurering destijds 'slechts' 88 miljard dollar).

IMF heeft nog nooit zo veel geld overgemaakt

Vanuit rationele solidariteitsoverwegingen, de val van Griekenland zou immers kunnen leiden tot de instorting van de eenheidsmunt, leenden de eurozone en het IMF in totaal 240 miljard aan Athene (het hele bedrag is nog niet gestort). Daarbij moeten de (ten minste) 50 miljard Griekse staatsobligaties die op de secundaire markt (voor de doorverkoop) door de Europese Centrale Bank werden teruggekocht, nog worden opgeteld. Dat is samen 290 miljard euro, ongeveer 2,5 keer het jaarbedrag van het budget voor een land van 11 miljoen inwoners dat slechts 2% van het bbp van de EU vertegenwoordigt. Het IMF, dat zelf een derde van dit bedrag uitleende, had in zijn hele geschiedenis nog nooit zo veel geld overgemaakt aan een enkel land.

Laten we ook niet vergeten dat deze solidariteit al voor de crisis bestond: sinds de toetreding van Griekenland tot de Unie in 1981, en vooral sinds de oprichting van de structuurfondsen voor regionale steun in 1988, ontving Griekenland jaarlijks tussen 3 en 4% van zijn bbp in de vorm van Europese hulp. En vergeet ook niet dat Griekenland sinds 2002, het jaar waarin het land de euro invoerde, op de markten kon lenen tegen Duitse tarieven. Maar wat deed het land met deze ongekende geldstroom? Wat zeker is, is dat het geld niet gebruikt werd om het land te ontwikkelen, maar vooral voor het onderhouden van de politieke achterban en ter ondersteuning van de consumptie. Griekenland was bijvoorbeeld een van de grootste Europese markten voor Duitse luxeauto’s.

Daarmee begrijpen we de toenemende ergernis van de Europeanen en het IMF over wat zij zien als ondankbaarheid van een land dat ternauwernood ontsnapt is aan een bankroet dat veel dramatischer gevolgen gehad zou hebben dan de strenge bezuinigingskuur die het land nu ondergaat.

Minder efficiënte staat dan Turkije

In het reorganisatieplan staan vooral de hervormingen opgesomd die Griekenland moet doorvoeren om een staat op te bouwen. Het indirecte beeld dat uit deze lijst naar voren komt, laat niets te raden over: alle aspecten van overheidsinstanties, het gezondheidszorgsysteem, de belastingdienst, de rechtspraak en openbare aanbestedingen passeren de revue en laten zien dat Griekenland een staat heeft die minder efficiënt is dan die van Turkije.

Het probleem is dat Griekenland zijn huiswerk niet maakt. Dat komt deels doordat een groot deel van het politieke en overheidspersoneel incompetent is, maar ook doordat degenen die alles zullen verliezen als de hervormingen daadwerkelijk plaatsvinden, zich verzetten. Het eerste bezuinigingsplan dat in het voorjaar van 2010 werd overeengekomen met het IMF en de EU werd nooit ten uitvoer gebracht. De voormalige regering Papandreou gaf dat zelfs toe. Het tweede plan ligt sinds de verkiezingen van 6 mei op zijn gat.

De wet die een jaar geleden werd goedgekeurd, en waarmee 150 beroepen moeten worden opengesteld voor concurrentie, is door een gebrek aan overheidsinzet nog steeds niet van kracht. Een bedrijf starten is nog altijd even moeilijk. Het kadaster is nog altijd niet klaar, al vraagt de Unie hier al 20 jaar om en ontving Griekenland zelfs Europees geld om ze te helpen er een op te zetten. En hoewel de belastingdienst zijn werk doet, doet het corrupte, langzaam en inefficiënte justitiële apparaat dat niet. Zo ontsnappen fraudeurs toch weer aan hun belastingverplichtingen. Om een idee te geven van wat daarmee gemoeid is: voor 2009 werd de schade door belastingfraude geschat op 15 tot 20 miljard euro. Dat is driekwart van het begrotingstekort in dat jaar. De zwarte economie (tussen de 30 en 40% van het bbp) tiert er dan ook nog altijd welig.

Er kan niet ontkend worden dat er in Griekenland mensen lijden: de verlaging van salarissen en pensioenen, en de recessie (Griekenland verloor 30% van zijn nationale rijkdom; die werd dan wel verkregen op krediet, maar daarom doet het niet minder pijn), zijn de trieste werkelijkheid. Maar het gaat hier om een nationale keuze: er wordt de voorkeur gegeven aan een systeem van cliëntelisme (de partijen die een eind aan de situatie willen maken, kregen niet meer dan 3% van de stemmen) en er wordt gestemd op partijen die internationale hulp zonder inspanningen beloven.

Griekenland neigt naar slachtofferrol

Andere landen hebben te maken met bezuinigingsmaatregelen die even zwaar zijn (Portugal, Ierland, Spanje, Italië) en daar horen we nauwelijks iets van. Het verschil? Naast dat Griekenland altijd al naar de slachtofferrol neigde, denkt het land ook recht te hebben op een voorkeursbehandeling omdat het de wieg is van de westerse beschaving. Alsof Rome een beroep zou doen op Cicero of Augustus als er aan Italië gevraagd wordt zijn arbeidsmarkt te hervormen of de maffia te bestrijden.

Dus wat moeten we doen? Europa heeft geen andere keus dan Griekenland te blijven helpen. Het land zou in zijn eentje het einde van de eenheidsmunt kunnen veroorzaken. Maar de Grieken moeten eraan herinnerd worden dat het hervormingsplan door de wettelijke regering van Griekenland geaccepteerd werd en door de zeventien nationale parlementen van de eurozone (inclusief de Vouli, het Griekse parlement) werd geratificeerd. Daarmee kan de discussie over een ‘Duits dictaat’ de mond worden gesnoerd. Wanneer dit plan opnieuw unilateraal ter discussie wordt gesteld, zou dat vooral aantonen dat het land nog steeds niet te vertrouwen is, wanneer een nieuwe meerderheid zich niet gebonden voelt aan afspraken die uit naam van het land werden gemaakt. Bovendien betekent dat een overwinning van radicaallinks de sprong naar een federale staat, die nodig is voor het overleven van de euro, weer voor lange tijd in de ijskast moet worden gezet.

Het mag duidelijk zijn dat de Europeanen het geld dat zij aan Griekenland leenden, ongetwijfeld nooit zullen terugzien. Maar de onvermijdelijke kwijtschelding van schulden mag niet zomaar plaatsvinden: Griekenland moet grondig hervormd worden, of de Grieken dat nu willen of niet. Onze schulden onvoorwaardelijk kwijtschelden, zoals sommige brave zielen dat voorstellen, terwijl dat zijn weerslag zal hebben op alle Europeanen, zou betekenen dat we over twintig jaar opnieuw onze portemonnee moeten trekken voor de Grieken. En het Danaïdenvat [een bodemloos vat, red.] is pas echt een erfenis uit de Griekse oudheid die we liever niet hebben.