\ In 1978 schreef u de tekst ‘Ik sterf als een land’. Deze tekst gaat over de verdwijning van een natie die haar naam en geschiedenis verliest. Wat is het gevoel dat bij u overheerst als u ziet wat er met Griekenland gebeurt?

Dimítris Dimitriádis: Dat is natuurlijk een nogal raar gevoel. 'Ik sterf als een land' schreef ik vijfendertig jaar geleden. Het land was bevrijd van de kolonelsdictatuur, het was een periode vol hoop, beloftes en voorspoed. Het was een persoonlijke situatie van absolute eenzaamheid die me ertoe dwong deze tekst te schrijven die de vorm van een parabel aannam: ik praat over een land dat sterft omdat het zijn eigen ondergang niet accepteert en omdat het de ander niet accepteert. Een land dat zich duizend jaar lang belegerd heeft gevoeld, dat de vijand niet accepteert, dat niet inziet dat die ‘vijand’ zijn toekomstperspectief is.

Wat Griekenland karakteriseert, is een soort stagnatie, een mentale stilstand. We houden halsstarrig vast aan psychologische en sociale gewoontes, we leven op een dode traditie en peinzen er niet over deze te vernieuwen.

Het is een zeer ernstig probleem: Griekenland dat bij uitstek een land vol historie is, zit opgesloten in het mechanisme van de geschiedenis. Daarom zijn we in een impasse beland. Alles waar we het over hebben, dat grootse Griekse erfgoed waar we onze rechten aan ontlenen is versteend in clichés en stereotypen. Dat is niet iets nieuws, sinds lange tijd leven we in Griekenland in het licht van een dode ster. Het gevoel dat ik vijfendertig jaar geleden had, is schrijnender geworden. De ‘crisis’ kan niet opgelost worden zonder een historische bewustwording die alleen kan geschieden door de erkenning dat er iets dood is waardoor een nieuwe geboorte kan plaatsvinden. Net zoals in het vers van T. S. Eliot: “In mijn einde is mijn begin”. Maar dan moet dat einde wel worden benoemd.

De crisis is dus op de eerste plaats een historische en pas daarna een politieke of een economische?

Ja, maar dat betekent niet dat ik de economische en politieke dimensies ontken. Het kan niet vaak genoeg herhaald worden dat het politieke systeem waar we in Griekenland mee leven, dateert uit de Ottomaanse overheersing (en dus eeuwenoud is) en totaal berust op cliëntelisme. De grootgrondbezitters van vroeger zijn vervangen door politieke partijen, maar de relatie tot het volk is hetzelfde. De staat behoort toe aan de partij en de partij gebruikt en verbruikt de staatsmiddelen om het cliëntelisme in stand te kunnen houden.

U hebt het over ‘de’ partij, maar sinds het einde van de dictatuur in 1974 zijn er verschillende partijen geweest.

Ja natuurlijk, na de val van de kolonelsdictatuur verscheen de Nieuwe Democratie van Kostas Karamanlis. Maar vanaf het einde van de jaren 70, was het echt de partij van de zogenaamde socialist Andreas Papandreou, de PASOK, die over Griekenland regeerde. Deze twee grote partijen, de een is zogenaamd rechts en de ander links, functioneerden op dezelfde wijze, maar het kan niet ontkend worden dat de PASOK dit systeem van cliëntelisme tot het uiterste heeft doorgedreven. De partij heeft de staat van al haar middelen beroofd, inclusief al het geld dat van de Europese Unie kwam. Het geld van de staat is de schatkist van de partij geworden waardoor het bijvoorbeeld mogelijk werd een groot aantal fictieve banen te creëren. En dit alles gaat maar door en verklaart deels waarom we in een dergelijke economische catastrofe zijn beland.

Het systeem is uitgeput omdat er geen middelen meer zijn, en het is zo diep verrot dat we ons compleet in een impasse bevinden. Door dit alles beschouw ik dat het land reeds dood is, en dat moet aanvaard worden. Alles wegvegen zodat we weer van voor af aan kunnen beginnen. Dat is historisch besef.

U roept op tot een diepgaande morele opleving. Maar kan dat gehoor krijgen in een context waarin de mensen steeds meer – zowel materieel als psychisch – lijden? Zijn zij wellicht niet ongeruster over het behoud van een minimale levensstandaard?

Het dagelijkse leven in Griekenland is inderdaad vrijwel ondraaglijk geworden. Maar soms, ik leef ook in deze dagelijksheid en lijd daar net als ieder ander onder, heb ik het idee dat de Europeanen gelijk hebben toe te willen slaan in het land. Af en toe denk ik dat ze beter geen medelijden kunnen hebben, want echt – het moet gezegd worden – het Griekse volk is ook schuldig. Te lang heeft het geleefd in gemakkelijkheid en frivoliteit waardoor het alles maar accepteerde.

Ik heb vaak de indruk dat een vorm van vulgariteit en grofheid de overhand heeft genomen in mijn land. Daarin kan bijvoorbeeld een buitengewoon angstaanjagende vorm van lachen onderscheiden worden. Een lach die, zoals de monnik uit De naam van de roos van Umberto Eco zegt, het gezicht van de man vervormt en het lelijk maakt. Hiermee wil ik niet zeggen dat ik de mensen liever zie huilen, maar die lach duidt op een vorm van onuitstaanbare onbezorgdheid. Dus als ik af en toe graag zou willen dat Europa toeslaat in Griekenland, dan is dat omdat we hier echt stikken. Van binnenuit zien we een volk dat inderdaad te lijden heeft en de gevolgen van de wijdverbreide corruptie ondergaat. Maar wij zijn niet alleen maar slachtoffer, want onze politici zijn een afspiegeling van ons volk. Deze betreurenswaardige mentaliteit waar ik het over heb, behoort toe aan de gehele bevolking, en niet alleen aan het Griekse volk. Zo kunnen er verschillende parallellen worden getrokken met bijvoorbeeld Italië en Polen.

Hoe kan deze diepgaande verandering dan tot stand komen?

Op dit moment is dat vrijwel van utopische aard. Gezien de omstandigheden waarin we leven is het praten over een nieuwe beschaving als een soort droom die eerder toebehoort aan de kunsten dan aan de werkelijkheid. Dat is de grote bijdrage van kunst en litteratuur: vindingrijkheid. Alle grote uitvindingen, om te beginnen bij de democratie en de tragedie, vloeien voort uit een precieze historische realiteit. Cornelius Castoriadis [Franse filosoof, econoom en psychoanalyticus van Griekse oorsprong, red.] heeft dit heel duidelijk aangetoond. Daarom moeten we ons afvragen of de democratie die zijn oorsprong in de Oudheid vindt, nog wel kan functioneren.

Misschien is het tijd om een nieuwe manier van regeren uit te vinden. Daarbij denk ik bijvoorbeeld aan dat gedicht van Günter Grass over Griekenland: Europas Schande [Nederlandse vertaling: Europa’s schande, red.]. Süddeutsche Zeitung publiceerde op 25 mei dit gedicht van de Duitse dichter. Het begint als volgt: “De chaos nabij, omdat het zich niet naar de markt voegt, ben je ver weg van het land dat je ooit de wieg leende…” Ik vind het maar een slecht gedicht – ik bedoel oppervlakkig, want als over Griekenland wordt gesproken als de ‘wieg’ van onze beschaving, moet goed beseft worden dat deze wieg een doodskist is geworden. Maar die doodskist kan op zijn beurt weer een wieg worden. Tot op heden heeft de mensheid altijd in tegenspoed en catastrofes haar krachten en modellen van beschaving weten te vernieuwen. Er is geen enkele reden te denken dat zij niet in staat is dit te vervolgen.