José Manuel Barroso was niet altijd de man die aan het hoofd staat van een Europese Commissie die maar geen greep krijgt op de financiële crisis. In zijn jeugd ging zijn geboorteland Portugal gebukt onder een dictatuur. Zijn politieke engagement is geworteld in een authentieke democratische gezindheid. Toen hij op de G20-top in Los Cabos zei dat Europa van niemand lessen te krijgen heeft en al zeker niet van landen die geen democratieën zijn, was dat geen uiting van toevallige humeurigheid. Het ging om een zaak waar hij ten diepste in gelooft.

Voorheen viel het niet zo op

Desondanks zijn er twee problemen met zijn stelling. Ten eerste is Europa minder een democratisch bouwwerk dan hij voorgeeft. Er gaapt een kloof tussen zijn bevolking en zijn bestuur. Voor een deel is dat het gevolg van de perverse gewoonte van nationale leiders om alles wat fout gaat aan ‘Brussel', aan Europa dus, toe te schrijven. Maar er is meer dan dat. Europa is het nobele en heroïsche antwoord van een politieke elite op de Tweede Wereldoorlog. Als zodanig is het veruit het belangrijkste politieke project van onze tijd. Maar gaandeweg blijkt dat de ontstaansreden van Europa alleen niet voldoende is om het eenmakingsproces duurzaam te legitimeren.

Nog voor de eurocrisis alle aandacht naar zich toetrok, werd het gestaag moeilijker om het zowel over uitbreiding als over verdieping van de Europese constructie eens te blijven. Zolang de Unie de motor van steeds grotere welvaart, veiligheid en vrijheid was, viel dat niet zo op. Dat brengt ons bij het tweede probleem met de uitspraak van Barroso in Mexico.

Kan Europa tegelijk democratischer en efficiënter?

Zelfs als je Europa als een, weliswaar getrapte en dus onvolkomen, democratie beschouwt, kan je niet om de vaststelling heen dat zijn groeimodel uiterst vermoeid oogt. Streken waar ons Rijnlanddenken niet bestaat, kennen ongetwijfeld grotere sociale tegenstellingen en onrecht. Ze zijn minder stabiel, met grotere schokken tussen euforie en depressie. Op ons best zijn wij een superieur maatschappijmodel, dat dichter komt bij ‘het grootste goed voor het grootste aantal' dan enig ander. Maar bij momenten vormen andere systemen, het veerkrachtige Amerikaanse, of het dynamische Chinese, een economische en politieke concurrentie waartegen het bedaagde en oude Europa niet meer opgewassen lijkt.

De twee fundamentele problemen van Europa versterken elkaar. Het onbehagen van zijn burgers over de ondoordringbare politieke besluitvorming groeit snel nu dat proces onvermogend blijkt om de hoeksteen van de eenmaking, de euro, uit zijn helse spiraal te redden. De vrees is daarom terecht dat de mislukking van de euro de Europese integratie dodelijk zou verwonden. Door zijn uitspraak legt Barroso, wellicht ongewild, de vinger op de echte wonde: kan Europa tegelijk democratischer en efficiënter, dus zowel politiek als economisch sterker zijn? Of sluiten die twee doelstellingen elkaar uit?