Er doen vele verhalen de ronde over de kwestie van het Duitse Europa-beleid – mythen die het niet makkelijker maken om de ernst van de huidige situatie volledig te doorgronden. Op z'n minst twee van die mythen behoeven enige nadere uitleg.

Volgens de eerste mythe zou Duitsland – de voornaamste profiteur van de eenheidsmunt en Europa's grootste economie – afstand hebben genomen van zijn solidariteit met de rest van het continent en Europa de rug hebben toegekeerd.

In werkelijkheid zou de eurozone zonder Duitse steun al lang geleden zijn ingestort. De afgelopen drie jaar heeft Berlijn meer dan 200 miljard euro aan leningen en kredietgaranties gegeven aan noodlijdende lidstaten van de eurozone.

Volgens de tweede mythe zou Duitsland het – ondanks de crisis – vandaag de dag zó goed hebben, dat het land zijn belangstelling voor Europa is verloren en in plaats daarvan landen als China en Brazilië als zijn nieuwe partners ziet.

Het was inderdaad de handel met deze twee landen die de Duitse groei in het eerste kwartaal van 2012 op peil heeft gehouden, ondanks de verslechterende marktomstandigheden. Maar de Duitse export blijft afhankelijk van de eurozone, die 40 procent van die export voor zijn rekening neemt (tegen 6 procent voor China).

De instorting van de euro en de sociaal-politieke onrust die dit alles ten gevolge kan hebben, zou Duitsland veel harder treffen dan andere Europese landen.

Het einde van de symbiose

De wortels van Europa's Duitse probleem – of van Duitslands Europese probleem – liggen elders en zijn van fundamentelere aard. In de eerste plaats heeft de huidige crisis Duitsland hard getroffen. Niet in economische, maar in politieke en ethische zin.

In plaats van het begin in te luiden van een 'Duits Europa' betekent de crisis feitelijk het einde daarvan. Het systeem van de gemeenschappelijke munt was gebaseerd op het Duitse model, waarbij de Europese Centrale Bank een kopie was van de Duitse Bundesbank.

De ineenstorting van dit ‘Europa van het Verdrag van Maastricht’ heeft in feite een einde gemaakt aan twee veronderstellingen die van cruciaal belang waren voor het Duitse beleid – dat Duitse oplossingen voor Europa het beste zijn en dat het Duitse economische model het meeste baat heeft bij Europese integratie.

Vóórdat de crisis begon, was er voor beide veronderstellingen wel iets te zeggen. Duitsland steunde een steeds verder gaande integratie en was de motor achter de vorming van de gemeenschappelijke markt en de invoering van de euro – en dat was allemaal gunstig voor Europa.

Maar het was ook een voorwaarde voor de naoorlogse Duitse welvaart, die was gebaseerd op de wederopbouw van de internationale reputatie van het land en het ontwikkelen van een op de export georiënteerde economie.

In de laatste paar decennia is Duitsland gaan denken dat wat goed was voor Duitsland ook goed was voor Europa. Vandaag de dag bestaat die symbiotische relatie niet meer.

Oplossing voor de crisis

Om Europa te redden, moeten de Duitsers niet alleen dieper in hun zakken reiken, maar ook afstand doen van hun ideeën over Europa en de economie, die zij als een verklaring zagen voor het Duitse succes in de naoorlogse periode. Dit houdt een aanzienlijke politieke en intellectuele verandering in.

Het onwrikbare principe dat ieder land verantwoordelijk is voor zijn eigen schulden is overboord gezet. De ECB heeft een sleutelrol gespeeld bij het redden van diverse landen van een bankroet, in tegenspraak met het Duitse dogma dat het bewaken van de monetaire stabiliteit de enige taak van deze instelling zou moeten zijn.

Het is een paradox dat Duitsland zichzelf opnieuw moet uitvinden op een moment dat zijn huidige model succesvoller is dan ooit, zijn economie bloeit en de werkloosheid nog nooit zo laag is geweest. Voor een koersverandering op zo'n moment is veel moed en vastberadenheid nodig. Bondskanselier Merkel heeft geen van beide.

De zwakte van de reus

De tweede, zelden onderkende reden voor het Europese dilemma van Duitsland heeft te maken met de sociaal-economische situatie van het land. De vruchten van het Duitse economische succes van de afgelopen tien jaar zijn zeer ongelijk verdeeld.

De economische ongelijkheid is veel sneller toegenomen dan elders in de geïndustrialiseerde wereld. Tijdens de bloeitijd vóór de crisis was de Duitse concurrentiekracht op de exportmarkt vooral te danken aan de relatief lage arbeidskosten, lees: lage lonen.

Degenen die voorheen werkloos waren geweest profiteerden natuurlijk van de schepping van nieuwe werkgelegenheid. Maar de kwaliteit van de meeste van deze banen heeft weinig meer van doen met wat vroeger liefkozend het ‘Rijnlandse model’ werd genoemd. Duitsland heeft proportioneel de meeste laagwaardige arbeidscontracten van Europa.

Dit gaat gepaard met zeer hoge schulden van veel gemeenten, die – gedwongen tot drastische bezuinigingsmaatregelen – publieke nutsvoorzieningen als zwembaden, cultuurcentra en welzijnscentra sluiten.

Paradoxaal genoeg is de erosie van het Duitse sociale model sneller verlopen sinds de invoering van de euro en de daaruit voortgekomen economische bloei.

Hoewel Europa Duitsland ervaart als een economisch krachtcentrum dat het hele continent heeft gedomineerd, zijn de Duitsers zelf – ondanks hun voorspoed – getuige van een crisis van de verzorgingsstaat en het sociale model, waaraan zij na de oorlog gewend zijn geraakt.

Democratisch tekort

Het derde probleem van Duitsland met Europa heeft met de democratie te maken. De Duitsers, die weigeren euro-obligaties of andere, nog radicalere oplossingen te aanvaarden, zeggen dat voor een dergelijke overdracht van bevoegdheden aan de Europese Unie hun grondwet moet worden gewijzigd.

Het Constitutionele Hof in Karlsruhe heeft dat in een uitspraak bevestigd en daarmee grenzen gesteld aan de mogelijke integratie.

De Europese Unie heeft vandaag de dag een echt probleem met de democratie. Een van de aspecten daarvan is de zogenoemde 'technocratie,' die inhoudt dat – zoals Ivan Kratev opmerkt in het recente nummer van het magazine over politiek Przegląd Polityczny – de kiezers in Italië of Griekenland “wel voor een andere regering kunnen stemmen, maar niet voor een ander economisch beleid”.

De andere kant van deze zelfde munt is het gebrek aan politieke bereidheid van samenlevingen (niet alleen de Duitse) om meer bevoegdheden aan de Europese Unie af te staan. Misschien kan Europa alleen worden gered als er grotere stappen op weg naar een politieke unie worden gezet, maar dat is precies datgene waar de publieke opinie in de meeste lidstaten zich tegen verzet.

De Amerikaanse econoom Raghuran Rajan heeft een tijd geleden geschreven dat politici niet in staat zijn te reageren op gevaren van onbekende omvang. Dat is een goede verklaring voor de opstelling van bondskanselier Merkel. Tot nu toe heeft het Duitse beleid zich gericht op het beperken van de schade en het behoud van een zo groot mogelijk deel van 'Duits Europa.'

De afgelopen dagen heeft Merkel gesproken over de noodzaak van de oprichting van een politieke unie, iets wat de Europese leiders aan de orde zullen stellen op hun topconferentie aan het eind van deze maand.

Het is niet Berlijn maar Parijs dat daarbij wel eens als grootste obstakel uit de bus zou kunnen komen. De keuze tussen een ineenstorting van de Europese Unie of de invoering van een politieke unie is vandaag de dag zeer reëel geworden.

Misschien is het wel Merkels grootste fout geweest dat zij het publiek op geen van beide scenario's heeft kunnen voorbereiden.