Hoe zij uit de crisis zijn gekomen (3/3): Zweden: tekort kan geen kwaad

28 Juni 2012 – Dagens Nyheter (Stockholm)

Twintig jaar geleden zorgde het barsten van de vastgoedzeepbel voor grote problemen met de overheidsfinanciën. Maar in plaats van radicale bezuinigingen, kozen de Zweden voor een zwaar begrotingstekort om de private schulden mee te absorberen. excerpts.

In 1990 ging het de Zweedse economie voor de wind: het begrotingsoverschot bedroeg 4 procent van het bbp. Maar toen nam de situatie een onverwachte wending. In drie jaar tijd verslechterde de toestand van de overheidsfinanciën enorm en in 1993 bedroeg het begrotingstekort 13 procent. Geen enkel land uit de eurozone dat op dit moment door de crisis is getroffen, heeft een dergelijk gat in zijn schatkist.

Het doorgronden van de Zweedse crisis kan ons helpen bij de analyse van de zware tijden die Europa op dit moment doormaakt. Destijds concludeerden veel specialisten dat de verzorgingsstaat de ondergang van het land alleen maar versnelde. Daarin vergisten ze zich, hoewel het niet te ontkennen valt dat de publieke voorzieningen herzien moesten worden, en dat er een openstelling voor concurrentie nodig was.

Feit is dat Zweden, net als alle landen uit de eurozone die nu in zwaar weer verkeren, in een diepe financiële crisis zat. Vanaf het midden van de jaren tachtig werden kredieten bijna onbeperkt verstrekt en kon er een zeepbel op de onroerend goedmarkt ontstaan. Binnen een paar jaar tijd knapte die bel en kregen de banken te maken met serieuze problemen.

Economie aan strikte regels onderworpen

Vóór de crisis stelde de econoom Hans Tson Söderström met een paar anderen die de tekortkomingen van de verzorgingsstaat aan de kaak. Hij vond dat de economie aan strikte regels onderworpen moest worden. Zo moest de inflatie worden beheerst, het begrotingsevenwicht worden gehandhaafd en moest er volgens hem een vaste wisselkoers komen. De turbulente jaren 1990 zorgden ervoor dat hij het over een andere boeg gooide. Hij vertrok naar Finland, dat zich op dat moment in een vergelijkbare financiële situatie als Zweden bevond, en leidt er sinds die tijd een onderzoek voor de Finse centrale bank.

Hoe langer Hans Tson Söderström de situatie in Zweden en Finland bestudeert, hoe meer hij ervan overtuigd raakt dat de traditionele analyse niet langer van toepassing is. Vooral nadat hij het standaardwerk van Irving Fisher, The Debt-Deflation Theory of Great Depressions [Lett: ‘De schulddeflatietheorie van de Grote Depressies’ uit 1933, red.] er nog eens op na had geslagen, begrijpt de econoom dat het debacle het resultaat is van de onroerend goed-krach en de bankencrisis die daaruit voortvloeide. En dat de staat niet aan de diepe schuldenlast ten grondslag lag, maar de huishoudens en de ondernemingen. Toen de bel knapte, werden ze gedwongen hun financiën op orde te brengen. Jarenlang spaarden ze massaal, waardoor investeringen en consumptie kelderden. De vraag stortte in. En dat is precies het type pijnlijke schuldaflossing dat de landen van de eurozone staat te wachten.

Hans Tson Söderström begreep dat het Zweedse begrotingstekort niet het gevolg was van de onverantwoordelijkheid van de politieke leiders, maar het resultaat van de bezuinigingskuur waaraan de private sector werd onderworpen. In feite was de schuld niet toegenomen, maar was zij eenvoudigweg overgeheveld van de private naar de publieke sector. Je zou kunnen zeggen dat de schuld gecollectiviseerd was.

De explosieve toename van de staatsschuld was dus niet de oorzaak van de depressie maar een symptoom. En als het land het enorme tekort tijdens de overgangsfase niet voor lief had genomen, dan was de crisis nog erger geworden: de afname van de werkgelegenheid en de productiviteit zouden veel omvangrijker zijn geweest.

Waanzinnige bezuinigingsmaatregelen versnellen verval

Voor het overige is het precies dezelfde situatie als die zich in Finland voordeed, waar de leiders meer haast hadden dan hun Zweedse collega's om een begrotingsevenwicht te bereiken, en van wie de activiteiten regelmatig door het IMF bejubeld werden. Resultaat: het land raakte in een depressie. In Zweden daarentegen moesten ze tot midden jaren negentig wachten voordat de overheidsfinanciën weer gezond waren. Toen pas waren de schulden van de private sector gesaneerd en begon de economie weer aan te trekken. Dit was voor een groot deel te danken aan een stevige devaluatie van de kroon, die gunstig bleek voor de exporterende industrie.

De overheidsfinanciën van landen zoals Spanje en Ierland waren gezond voor de crisis. Die landen zouden, naar het Zweedse voorbeeld van de jaren negentig, hun tekort gedurende een overgangsperiode eigenlijk moeten laten bestaan, in plaats van waanzinnige bezuinigingsmaatregelen op te leggen die het verval alleen maar versnellen. Hun situatie is echter nog veel ingewikkelder omdat ze niet de mogelijkheid hebben hun valuta te devalueren en ze moeilijk kunnen lenen op de markten. Alleen een Europese of internationale oplossing kan ervoor zorgen dat er vers geld binnenkomt en dat het bancaire systeem gestabiliseerd kan worden (bankgaranties, herkapitalisatie).

Maar het allereerste wat er moet gebeuren is dat er een goede diagnose wordt gesteld van het onheil dat hen getroffen heeft.

Factual or translation error? Tell us.