De Griekse econoom Yanis Varoufakis beschrijft voor het begin van de Europese top van vandaag de halsstarrige kortzichtigheid van het beleid waarmee de regeringen van de EU de euro beweren te redden. Hij verbaast zich over de warboel aan sentimenten en maatregelen. Het is een combinatie van een haast Messiaans wachten op een wedergeboorte en het onvermogen van de politici om te handelen, de mentale traagheid van de economen en het verbijsterende gebrek aan leiderschap.

We staan nogmaals aan de vooravond van een top die cruciaal wordt genoemd. Er zal een ‘voor’ en een ‘na’ zijn, we zullen belangrijke knopen doorhakken of onherroepelijk vastlopen. Sommigen tellen de minuten al: de euro zal niet langer meer dan drie maanden bestaan, zeggen ze, wellicht in de overtuiging dat de klok stilstaat. Al jaren is de levensverwachting immers bijna steeds drie maanden. Dit zet Varoufakis aan tot het maken van twee historische vergelijkingen die angst inboezemen. De eerste verwijst naar de crisis van 1929 en de handelswijze van de Amerikaanse president Hoover destijds. Het recept toen was hetzelfde als dat van vandaag: de overheidsuitgaven drastisch terugbrengen, korten op lonen en koopkracht en dat alles terwijl de Amerikaanse economie instortte. Het gevolg was armoede, woede en in Europa het einde van de democratie.

Ongecoördineerd bommen gooien

Niet minder verontrustend is de vergelijking met de Vietnamoorlog: in de jaren zestig en zeventig waren de mannen van het Pentagon al overtuigd van hun nederlaag. Toch bleven ze ongecoördineerd bommen gooien op Vietnam, omdat ze het niet eens konden worden over hoe ze een einde aan het conflict moesten maken dat zo duidelijk een rampzalige afloop zou hebben. De fout erkennen en van koers veranderen zou het leven van duizenden Amerikanen en honderdduizenden Vietnamezen hebben gered en ook heel wat geld hebben bespaard. Soortgelijke nederlagen noemde de historicus Marc Bloch in 1940 “vreemd”: de politieke-militaire voorhoedes zijn stuurloos en ontberen visie, terwijl in de verbindingslijnen de maatschappij en leidende klassen wegvallen. De huidige leiders van Europa zijn bezield met dezelfde onwil: de banken- en schuldencrisis zijn geen gewapende strijd, maar bepaalde effecten zijn gelijk. De arme burger raakt in paniek en weet zich geen raad.

Al maanden volgt de ene top na de andere (met twee, vier, zeventien, zeventwintig aanwezigen) en elke top wordt beslissend genoemd. Al maanden is het op het toneel een komen en gaan van personages die onveranderlijke frasen declameren. Merkel en Schäuble komen dan de zaal van de Raad binnen, gaan zitten en reciteren: “Dit kan niet, voordat we het over solidariteit gaan hebben, moet iedereen eerst zelf orde op zaken stellen.” En altijd is er wel iemand uit de zuidelijke periferie van Europa die niet serieus onderhandelt maar smeekt: “Doe toch wat moeite, we gaan hier ten onder!”. Het lijkt wel een overslaande plaat. Ze gaan zitten en herhalen zichzelf, net als de generaals die de Vietnamezen maar met bommen bleven bestoken in de hoop dat de oorlog, net als de markten, van uitputting vanzelf tot rust zou komen.

Vervallen tot holle frasen

Het is waar dat er iets in Europa aan het bewegen is. Dankzij de druk van de sociaaldemocratische en groene partijen geeft de liberaal-conservatieve Duitse regering opeens toe dat er iets moet gebeuren voor de groei (net zo’n leeg begrip als wanneer generaals in oorlogstijd spreken over vrede). Tijdens de vergadering die in Rome plaatsvond tussen Merkel, Hollande, Monti en Rajoy is afgesproken 120 miljard euro vrij te maken (een mooi, maar op zichzelf staand bedrag, aangezien men tegelijkertijd geen verhoging van de EU-begroting wil). Er is ook eindelijk afgesproken om, ondanks de bedenkingen van de Engelsen en Zweden, een belasting over financiële transacties goed te keuren om de eurozone wat rust te gunnen.

De regeringen verzekeren ons dat er vooruitgang is geboekt, maar het essentiële ontbreekt: er kunnen nog steeds geen euro-obligaties worden uitgegeven en Berlijn aarzelt over een gedeeltelijke schuldenkwijtschelding, een plan dat in november door de Duitse raad van economische deskundigen werd bedacht. “Er is een federale sprong nodig”, wordt er gefluisterd, maar ook die woorden dreigen, net als ‘groei’ en ‘vrede’ te vervallen tot holle frasen. Wat inhoudelijk overblijft, is het Duitse dogma van begrotingsdiscipline en de onlangs aan de Europese Commissie overgedragen bevoegdheid om de nationale begrotingen te controleren. Het is echter een vreemde bevoegdheid, het is er een van technocraten die veroordelen en straffen, maar die geen bevoegdheid geeft voor het maken van beleid of waar democratische controle op plaats vindt.

Markten lijken op meute opgehitste honden

Feit is dat deze maatregelen niet volstaan omdat het probleem niet technisch is, maar politiek. We zijn het normaal gaan vinden om de markten de schuld te geven, om te zeggen dat Europa niet afhankelijk mag zijn van hun kortzichtigheid. Maar luisteren we naar de markten? Ze zijn onvoorspelbaar, maar hun wantrouwen tegen onze remedies betekent dat er nog iets anders in hun vraag besloten ligt: “Zijn jullie wel echt van plan om de euro te redden? Willen jullie nu wel of geen politieke unie waar jullie altijd over spreken, maar niets aan doen?” Als de markten op een meute opgehitste honden lijken, is dat omdat ze ruiken dat Europa en Duitsland de macht niet willen nemen, maar kiezen voor een irrelevante rol in de wereld. Ze zullen pas bedaren als er een plan is met duidelijke deadlines (want het is belangrijk om een datum vast te leggen, ook als die niet in de onmiddellijke toekomst ligt): een plan dat voorziet in een Europees belastingstelsel, een geloofwaardige Europese begroting, een controle door het Europees parlement, een centrale bank zoals de Amerikaanse Federal reserve bank en één buitenlands beleid. Ze dringen hier terecht op aan. Ook omdat er deze keer geen sprake is van een naoorlogs Amerika dat aanspoort tot een federatie. Obama vraag Europa slechts om maatregeltjes, niet om een groot eenwordingsplan.

De federale sprong die nodig is, willen maar weinigen nemen. Hollande zegt dat de politieke unie die Berlijn wil enkel aanvaardbaar is als er onmiddellijk solidariteit komt. Merkel sluit solidariteit niet uit, maar wil eerst de politieke unie. Een van beiden bluft dus. Het is als in de scène van 'Rebel without a cause': twee jongens rijden tegelijkertijd met hun auto op een afgrond af. De eerste die het stuur omgooit, is de angsthaas. Als ze beiden volhouden, eindigt hun race in het ravijn. Het is een tragisch spel, want het toont het oude evenwicht van nationale machten dat het continent te gronde heeft gericht. De Europese Unie was juist ontstaan om dergelijke dodelijke races af te schaffen.