De term 'afgestudeerde zonder toekomst' kwam bij mij op toen ik les stond te geven aan studenten van de faculteit politicologie van de Universiteit van Birmingham. Ik tekende een grafiek met een opwaartse lijn: hier is je inkomen op je 21e, daar gaat je salaris omhoog en stijgen de huizenprijzen – als je eenmaal huisbezitter bent – je pensioenvoorziening groeit en aan het einde van de curve ben je goed af of is er altijd nog de verzorgingsstaat als er iets mis is gegaan.

Dat was de oude grafiek. Daarna tekende ik er nog een, met een neerwaartse lijn: de lonen stijgen niet, je kunt niet eens huisbezitter worden. De bezuinigingen gaan ten koste van je besteedbare inkomen. Je kunt niet deelnemen in het pensioenfonds van je werkgever; je kunt pas stoppen met werken als je achter in de zestig bent. En als het allemaal verkeerd afloopt, moet je maar afwachten of het vangnet van de verzorgingsstaat er nog steeds is.

De revoluties hielpen de jongeren niet hogerop

Op dat moment kregen sommigen in mijn gehoor last van nekpijn door het vele knikken. Deze generatie van jonge, goed opgeleide mensen is uniek – althans in de periode ná 1945: het zijn mensen die mogen verwachten armer te zullen blijven dan hun ouders. Ze hebben een enorme toename van de jeugdwerkloosheid gezien: 19 procent in Engeland, 17 procent in Ierland, 50 procent in Spanje en Griekenland. Maar ze hebben ook een revolutie op het gebied van de technologie en de communicatie meegemaakt die de jongeren juist hogerop moest helpen.

Na het uitbarsten van de Arabische Lente – en terwijl de onrust nog steeds aanhoudt, van Athene tot Quebec – heeft dit sociologische type centraal gestaan. De afgestudeerde, die niet de soepele opleiding van de generatie van zijn of haar ouders heeft genoten, maar vrijwel vanaf de puberteit is onderworpen aan een hele batterij psychometrische tests, aansporingen om te excelleren en beroepsmatige keuzes die het je moeilijk maken een vrij leven te leiden.

Toen ik op de universiteit zat (in Sheffield, tussen 1978 en 1981) had ik tijd over om in een band te spelen, mee te staken met werknemers van een staalfabriek, diverse gebouwen te kraken, beschamend slechte fictie te schrijven, van studie te wisselen en te vragen of ik in twee richtingen tegelijk mocht afstuderen, omdat dat beter bij mij paste.

Dat mag, zolang je maar aan niemand vertelt dat het kan”, had mijn decaan toen gezegd. Onderwijs was gratis. Je kreeg een beurs waarvan je kon leven als je maar niet van de drank overstapte op onbetaalbare drugs, en in de vakanties had ik een fabrieksbaantje dat bijna net zo goed betaalde als de echte fabrieksbaan van mijn vader.

Het model van het Westen is kapot

Als we willen dat de toekomst er beter gaat uitzien, moeten we breken met een economisch model dat niet langer functioneert. Want de 'afgestudeerde zonder toekomst' is de menselijke uitdrukkingsvorm van een economisch probleem: het model van het Westen is kapot. Het kan niet genoeg hoogwaardig werk meer bieden aan zijn hoogopgeleide beroepsbevolking. Maar de essentiële voorwaarde om verder te komen in het leven – een schooldiploma of een universitaire graad – kost nu zoveel dat het tientallen jaren van slecht betaald werk zal kosten om het terug te kunnen betalen.

Toen ik langs universiteiten, kraakpanden en kampementen van de Occupy-beweging trok om te praten over de oorzaken van de crisis, kwam het vaak voor dat ik moest zeggen: “De term 'afgestudeerde zonder toekomst' betekent niet dat je letterlijk geen toekomst hebt.” Want de overheersende gemoedstoestand onder jongeren is gevaarlijk nihilistisch geworden, zelfs onder de activisten.

Wat betreft de Occupy-generatie zijn er nachten dat mijn Twitter-feed wordt gevuld met vrolijke berichten over een zelfdestructieve levensstijl, onderbroken door hier en daar een rondje pepperspray en voorgeleidingen voor de rechter.

Een zweem van zachtheid in de jongerencultuur

Terwijl de jeugdwerkloosheid in de zwaar getroffen landen van de Europese periferie de 50 procent heeft bereikt en de crisis maar jaar na jaar blijft doorzeuren, is er een zweem van zachtheid in de jongerencultuur gekropen.

Ook het anti-leiderschapsideaal en de structuurloosheid die de periode tussen 2009 en 2011 hebben gekenmerkt, beginnen te wringen. Omdat de protestbewegingen zó zijn georganiseerd dat er eigenlijk geen leiders zijn, ziet deze generatie zich gedwongen zich te verzamelen rondom de podia van bestaande schrijvers en profeten: het begint een zware opgave te worden naar de beeldtaal te kijken van lezingen van mannen als Žižek, Chomsky, David Harvey en Samir Amin – mannen met grijze baarden die de revolutie preken voor een gehoor van 21-jarigen.

Er zijn ook positieve zaken. Als ik jonge activisten ontmoet, die me graag willen vertellen wat hun volgende protestactie zal zijn, is er bijna altijd ook een ander verhaal. Ze zijn een online-magazine begonnen. Nee, het is geen collectief, het is een bedrijf. Ze hebben een café opgericht, of een theatergroep, of – zoals bij de Andalusische boerderij die ik heb bezocht – ze hebben een stuk braakliggend land ingepikt om er groenten op te verbouwen. Al die testen, beproevingen, examens en de meedogenloze carrièregerichtheid van hun opleiding hebben deze generatie zeer ondernemingsgezind gemaakt.

Ze doen het zo gek nog niet

Net zoals zij uit het niets protestvormen hebben ontwikkeld die een breuk met het verleden vormden, ontwikkelt deze generatie vormen van bedrijvigheid en handel, literatuur en kunst, die kunnen leven in de gapende kieren die zijn ontstaan door het krimpende bruto binnenlands product en de instortende kredieten.

Dit is de eerste generatie die in staat is kennis als software te behandelen: je kunt het uploaden en gebruiken, upgraden en uiteindelijk weer weggooien. Ze beginnen met een kennisniveau dat eerdere generaties zich eerst eigen moesten maken via een lang verwervingsproces. Nu is al wat ze nodig hebben dat het economische model aansluiting vindt bij het menselijke potentieel dat door de technologie is ontsloten.

Naarmate de jaren voorbij zijn gegaan – en de eerstejaarsstudenten uit 2008, het jaar van het faillissement van Lehman Brothers, nu aan hun tweede doctoraaljaar beginnen, of aan hun tweede jaar met een uitkering – is de afgestudeerde zonder toekomst gaan beseffen dat je de toekomst zélf moet maken. En als je goed genoeg kijkt – langs de ongekamde baarden en langs de op feestjes uitgelopen mascara – zie je dat ze dat zo gek nog niet doen.