**De laatste EU-top leverde een verhit debat op over de vraag wie verantwoordelijkheid moet nemen voor het redden van de gemeenschappelijke munt, en tegen welke voorwaarden. Deze verantwoordelijkheid wordt vandaag de dag in miljarden euro's gemeten. Dat is de reden dat de discussie over een groeipakket, steun voor de banken en een versoepeling van de bezuinigingsmaatregelen in feite een meningsverschil is over de vraag hoe diep de welvarende Duitsers in hun buidel moeten tasten.

Maar het gaat allemaal niet louter om geld. De belangen zijn groter en betreffen het Europese DNA: hoe kunnen we de Europese Unie behoeden voor economische depressie en politieke desintegratie zonder de fundamenten van de democratie te ondermijnen? Twee jaar na het begin van de crisis is duidelijk geworden dat niet alleen de vermaledijde Grieken en Spanjaarden verantwoordelijk zijn voor de malaise, maar vooral de gebrekkige constructie van de economische en monetaire unie.**

Fundamenten Europa vertonen barsten

**In de eerste plaats heeft de Europese Unie wél een gemeenschappelijke munt, maar geen gemeenschappelijk financieel beleid. Lidstaten beslissen zelf over hun begrotingen, belastingen en leningen. Noch de coördinatie-bevorderende hervormingen (zoals de zogenoemde “sixpack” of het begrotingspact), noch de besluiten die op de top in Brussel zijn genomen, kunnen dit probleem oplossen. In de tweede plaats schiet de Europese politieke ruimte tekort. Belangrijke besluiten worden genomen op het niveau van de Europese Unie, maar het feitelijke beleid wordt bepaald door de politieke partijen, kiezers en media van de individuele lidstaten.

Het is geleidelijk aan tot de beleidsmakers doorgedrongen dat het bestaande integratiemodel zijn beste tijd heeft gehad. Het beleid van kleine stapjes, zoals het openstellen van de grenzen, de integratie van de markten, de invoering van gezamenlijk toezicht en de beleidscoördinatie in de richting van een “ever close union” is niet in staat gebleken de barsten te verdoezelen die zijn ontstaan in de fundamenten van het gemeenschappelijke Europa.**

De markt is de allesbepalende factor geworden

**“Méér Europa”, zeggen de politici. Maar terwijl sommigen hiermee bedoelen: méér Duits geld voor het redden van de Spaanse banken of de wankele overheidsfinanciën van landen als Italië of Griekenland, zien anderen dit als een oproep om de soevereiniteit van de lidstaten over te hevelen naar de Europese Unie. De paradox van de hedendaagse situatie is dat hoewel beide verlangens in algemene zin gerechtvaardigd zijn, ze niet of nauwelijks in overeenstemming kunnen worden gebracht met de beginselen van de democratie. Tijdens de crisis is het karakter van het politieke systeem van de Europese Unie onmerkbaar maar fundamenteel veranderd, omdat er naast de traditionele soevereine macht – die van de individuele lidstaten – een andere, hele sterke macht is opgedoken – die van de zogenoemde markten.

Conflicten tussen deze twee machten worden gewoonlijk beslecht in het voordeel van laatstgenoemde. Vroeger zouden politici met subsidies voor specifieke sectoren of regio's voor de dag zijn gekomen. Tegenwoordig zijn de “marktvooruitzichten” de allesbepalende factor geworden. Zwakkere landen als Griekenland of Italië hebben de hervormingspakketten moeten aanvaarden die in Brussel als prijs voor financiële steun zijn overeengekomen, terwijl de welvarender lidstaten (bijvoorbeeld Duitsland) steun hebben geboden zonder zich veel gelegen te laten liggen aan parlementaire procedures of de publieke opinie. De Duitse filosoof Jürgen Habermas heeft deze verschuiving van bevoegdheden van de parlementen naar intergouvernementele arrangementen “technocratisch federalisme” genoemd.

Op de recente top hebben de leiders van de Europese Unie afgesproken nieuwe stappen te zullen zetten in de richting van een begrotingsunie en een politieke unie. Helaas is er nauwelijks aandacht besteed aan een belangrijke toespraak van de voorzitter van het Europese Parlement, Martin Schulz, die heeft benadrukt dat geen enkele doelstelling belangrijker zou mogen zijn dan de democratie.**

Het democratische dilemma wordt niet opgelost

**Dat was een vergissing: het dilemma hoe de Europese Unie te redden zonder de democratie op te offeren is zeer reëel. De voorstellen om tot een “echte economische en monetaire unie” te komen, die besloten liggen in het Van Rompuy-rapport, impliceren een belangrijke overdracht van bevoegdheden van de natiestaten naar het niveau van de Europese Unie. Een bankenunie, waarover dezer dagen uitgebreid wordt gesproken, is alleen maar in schijn slechts een “technische” oplossing.

Europees toezicht op de banken of gemeenschappelijke depositogaranties houden een grotere bemoeienis van de Europese Unie in met het begrotingsbeleid van de lidstaten (begrotingsunie) en een gemeenschappelijke verantwoordelijkheid voor de schulden van de lidstaten (euro-obligaties).

Zelfs in Duitsland, dat zich stevig heeft verzet tegen het idee van een “overdrachtsunie” (d.w.z. het subsidiëren van de zwakkere economieën), is het gevoel sterker geworden dat slechts dergelijke radicale stappen de markten het vertrouwen kunnen geven dat de eurozone zich uiteindelijk zal herstellen.

Maar het Van Rompuy-rapport zegt niets over de manier waarop de oorspronkelijke soevereine macht – de Europese volkeren – tevreden moet worden gesteld. De vraag hoe het democratische dilemma op de langere termijn moet worden opgelost blijft net zo lastig als om van een cirkel een vierkant te maken.**

Technocratisme schrijdt voort

**Aan de andere kant is er de visie van een politieke unie, zoals die is verwoord door de Duitse minister van Financiën, Wolfgang Schäuble: “Als belangrijke bevoegdheden, die tot nu toe voorbehouden zijn geweest aan soevereine staten, aan Brussel moeten worden overgedragen, moeten de parlementaire structuren op dit niveau ook worden versterkt”. Schäuble is voorstander van het in leven roepen van een tweede kamer van het Europese Parlement, die zou moeten bestaan uit vertegenwoordigers van de nationale parlementen, en van een rechtstreekse verkiezing van de president van de Europese Raad.

Duitsland wil er slechts mee instemmen grotere financiële verantwoordelijkheid te gaan dragen (bijv. in de vorm van euro-obligaties) als de unie diep zou kunnen ingrijpen in het beleid van de lidstaten en zulke interventies zou kunnen legitimeren. Maar Frankrijk en veel andere landen zijn niet bereid hun nationale soevereiniteit zo vergaand op te geven. Ook de Europeanen zelf zijn er nog niet klaar voor.

De kloof tussen wat de Europese Unie nodig heeft en wat de Europese samenlevingen bereid zijn te accepteren is nog nooit zo groot geweest.**

Herwaardering van nationale souvereiniteit is nodig

**Het democratisch tekort van de Europese Unie is geen nieuw verschijnsel, maar tegenwoordig is het een brandende kwestie geworden. Er zijn geen kant-en-klare recepten voorhanden om te ontkomen aan de val van het “technocratisme”, dat steeds verder voortschrijdt uit naam van een hogere noodzaak. Maar wellicht de grootste fout zou zijn het feit te ontkennen dat er een conflict bestaat tussen de twee soevereine machten in Europa – de markten en de volkeren – en te pretenderen dat “méér Europa” een medicijn is zonder neveneffecten. Als je vandaag de dag spreekt over een Europese federatie zonder de vraag op te werpen van de toekomst van de democratie, maak je je niet schuldig aan euro-optimisme maar aan euro-naïviteit.

Er is geen twijfel mogelijk dat het tijdperk van de geleidelijke veranderingen in de Europese structuur, stilzwijgend geaccepteerd door de burgers, ten einde is gekomen. De Europese Unie heeft een grote stap voorwaarts nodig, die een herwaardering van de nationale soevereiniteit en van het democratische model zoals wij dat kennen zal inhouden.

De tijd is aangebroken dat de Europese elites de oorspronkelijke soevereine macht serieuzer gaan nemen, omdat anders de toename van het verzet tegen het technocratische dictaat slechts een kwestie van tijd zal zijn. Op de langere termijn zal het Europese project niet in staat zijn hier tegenwicht aan te bieden.**