Tijdens een voordracht bij gelegenheid van de Wereldtentoonstelling van 1867 zei de schrijver Victor Hugo: "Alle spoorlijnen die in verschillende richtingen lijken te gaan – Petersburg, Madrid, Napels, Berlijn, Wenen, Londen – gaan naar een enkele bestemming: de vrede. De dag dat het eerste luchtschip zal vliegen, zal de laatste tirannie ten grave worden gedragen". We weten hoe het is gelopen: na de euforie kwam de brutale ontnuchtering van de Eerste Wereldoorlog. Die tijd tussen 1870 en 1914 kan worden omschreven als de ‘eerste’ globalisering. Het heeft tot ergens in de jaren zeventig van de 20ste eeuw geduurd voordat het niveau van economische internationalisering van vóór 1914 weer was bereikt. Globalisering neemt niet voortdurend toe, maar gaat met pieken en dalen. Zonder sterke instituties en grensoverschrijdende democratie kan ook de ‘tweede’ globalisering, die van onze tijd dus, in crisis en conflict eindigen.

De weerstanden zijn overal zichtbaar. Niet alleen in Europa, maar ook in Amerika, Azië en Australië zien we de opkomst van populistische politici. En overal zijn etnische minderheden – die het gezicht van de globalisering vormen – een steen des aanstoots. Het verlies aan soevereiniteit leidt tot afweer. De bekende socioloog Manuel Castells beschrijft het conflict dat de democratie zwaar onder druk zet: "Tegenover elkaar staan een kosmopolitische elite, die in dagelijkse verbinding staat met de gehele wereld, en een tribalisme van lokale gemeenschappen die zich terugtrekken in hun eigen ruimte als een laatste verweer tegen de macrokrachten die buiten hun greep hun leven bepalen". Een niet onbelangrijk deel van de bevolking trekt zich terug en zoekt naar meer veiligheid. De globalisering vraagt om openheid én bescherming.

We hebben meer Europa nodig als antwoord op de verleiding van het populisme

Opnieuw dwingt de hedendaagse globalisering Europese landen om oude tegenstellingen te overwinnen. Zo heeft ook de opkomst van Azië een belangrijke impuls gegeven aan de vorming van de interne markt en de introductie van de euro begin jaren negentig. Wat men veel politici en opiniemakers kan verwijten is dat ze op een lichtzinnige manier de eenwording van Europa vereenzelvigen met bureaucratie en bedilzucht. En dat terwijl vormen van internationale samenwerking – de Europese Unie voorop – een belangrijk verschil maken tussen de situatie voor 1914 en de situatie nu. Dat vergelijkbare crises – zoals de oorlog op de Balkan of de financiële crisis – toen tot internationale conflicten leidden en in onze tijd vooralsnog worden beteugeld, heeft alles te maken met de intensieve samenwerking over grenzen heen.

We hebben eerder behoefte aan méér dan aan minder Europa als antwoord op de verleiding van het populisme. Maar over welk Europa hebben we het dan? Als het goed is vormt het de beschermende buffer waarmee de schokken van de globalisering kunnen worden getemperd en ruimte kan worden herwonnen om greep te behouden op de inrichting van de eigen samenleving. Europese eenwording moet worden gevormd door het inzicht dat de groeiende afhankelijkheden in de wereld naast openheid ook om bescherming vraagt. Op tal van terreinen moet juist tegenwicht worden geboden. Neem de energiesector: er zijn vele goede redenen om minder afhankelijk te willen worden van de olievoorraden in het Midden-Oosten. Juist het wegnemen van de binnengrenzen maakt het mogelijk om zulke initiatieven te nemen.

Europa moet de verdere uitholling van nationale parlementen voorkomen

Vooralsnog fungeert de Unie onvoldoende als zo’n beschermende laag. Het Griekse drama lijkt die indruk te bevestigen. Toch is dat precies de manier waarop de Europese integratie altijd is gegaan: twee stappen vooruit, een achteruit, twee opzij. Ondertussen lukt het toch al meer dan een halve eeuw om dit bouwwerk van onderhandelen en compromissen verder vorm te geven. Dat is de belangrijkste beschavingsopdracht van onze tijd en daarom is het zo onvoorstelbaar dat het politieke midden het momenteel laat afweten wanneer het gaat om Europa. Europa behoort een wezenlijke rol te spelen in het voorkomen van een verdere uitholling van de nationale parlementen. Die dragen immers het geheel.

Alleen wanneer duidelijk is dat de Unie ten dienste staat van de lidstaten en niet andersom, kan de unieke toenadering in Europa de burgers motiveren. Victor Hugo hield ons meer dan een eeuw geleden een veel aantrekkelijker beeld voor. Maar hoe men het wendt of keert: de naoorlogse eenwording van Europa heeft enorm bijgedragen aan een bestendige vrede in ons werelddeel. Misschien dat de hogesnelheidslijnen die nu overal worden aangelegd bijdragen aan een nieuwe ervaring van Europa. Of ze allemaal één bestemming hebben – de vrede – is misschien veel gezegd, maar met de aaneensluiting van het continent is een uitvalsbasis tot stand gekomen van waaruit we de wereld met nieuw zelfvertrouwen tegemoet kunnen treden.