Een kop koffie is veel meer dan een oppepper of een momentje pauze. In de zwarte kleur van koffie ligt een gevoel van verkwikking besloten, evenals een tijdsbeleving die het begin van de dag, de afsluiting van een lunch of een vlucht uit de saaie uurtjes bij ons oproept. Koffie staat voor de illusie dat je geest zich openstelt voor nieuwe gewaarwordingen en dat sufheid en onbehagen verdreven worden. "We moeten weer eens koffie met elkaar drinken," is nog altijd een prima uitspraak om aan te geven dat je behoefte hebt aan een ontmoeting, die automatisch vertrouwelijke gesprekken, verbondenheid en gezelligheid met zich meebrengt. "Een bakkie koffie," zeggen we, met iets van tederheid. Het is belangrijk om dit magische woord uit te spreken, dat leidt tot een afspraak en dat de cultuur van het converseren bevordert.

In een lezing met de titel “De idee Europa”, die vijf jaar geleden in Amsterdam werd gegeven, deed de cultuurfilosoof George Steiner een op het oog frivole uitspraak: "Zolang er koffiehuizen, cafés zijn, zal het begrip Europa standhouden." En aangezien de kiezers het bij de afgelopen verkiezingen massaal hebben laten afweten en zich afwerend hebben opgesteld – de opkomst van 43,1%, oftewel 59,6% niet-stemmers, betekende dat het historische laagterecord van 2004 werd gebroken –, vraag ik mij af wat er van het Europese grand café terecht is gekomen. di

Van de café noisette van Les Deux Magots en de maquillato van Café Pedrocchi in Padua tot de Wiener mélange met buchteln [gestoomde beignets] van Café Hawelka in Wenen: in het Oude Continent is het café is altijd een ontmoetingsplek geweest voor verschillende denkwijzen en voor het mondaine leven.

De geschiedenis van Europa is ontstaan in modernistische cafés uit de achttiende eeuw waar de avant-garde samenkwam: Café Florian in Venetië, waar Giacomo Casanova zijn maîtresses verleidde en waar Proust weer op adem kwam; Café Flore, waar Sartre zijn verhandelingen over het existentialisme schreef; het Antico Caffè Greco in Rome, dat beschouwd werd als het middelpunt van de wereld en waar Lord Byron, Schopenhauer, Wagner, Henry James en Leopardi aan het eind van de middag kwamen smullen van lekkere hapjes; of de Spaanse cafés Fortuny en Rosales.

Maar tegenwoordig zijn dergelijke intellectuele clubs niet meer te vinden en dragen de obers geen vlinderdasje meer. Alleen bij Starbucks worden we met onze naam aangesproken, maar dat ervaren we als hinderlijk. Vriendschappen worden eerder gesloten in sportzalen, vliegtuigen of kapsalons dan in cafés. Europa, dat iedere dag iets minder van zichzelf houdt/, bezit tal van antisociale plekken en wordt gegeseld door pragmatisme en daadkracht. ‘Socializen’ doen we op internet, in hygiënische afzondering via het beeldscherm. Geen rookkringels meer en geen gedichten die op servetten worden geschreven. In beroemde koffiehuizen die verscholen liggen achter bakstenen muren, zoals Canaletes of Zurich in Barcelona, kiest het Europa van de uitverkoop, van de handel in illegale cd's op straat en van de cybercafés liever voor veiligheid dan voor experiment.

Maar tussen robuuste zuilen en koffie verkeerd staan nu de Groenen van het Oude Continent weer op. En uit de as van mei 68 laat 'Rode Danny' Cohn-Bendit – volgens Libération de enige die zich over Europa uitliet in plaats van zich op lokale ruzies te richten – de oude cafeïnevrije utopie herrijzen.