Europa's economie en geopolitieke orde bevinden zich in een crisis. We leven in een tijd van werkloosheid, bezuinigingen en spanningen tussen de staten. Veel waarnemers concluderen daaruit dat de politieke omstandigheden op het continent steeds meer op die van de jaren dertig van de vorige eeuw beginnen te lijken. Die bewering is grotendeels onjuist.

Tot dusver is het politieke midden vrijwel overal overeind gebleven. Opmerkelijk is niet zozeer de opkomst van het extremisme, als wel de zeldzame uitingen ervan gezien de diepte en de duur van de crises.

Grote angst voor niets

Nergens is de angst voor de opkomst van het extremisme groter geweest dan in Frankrijk. Tijdens de eerste ronde van de presidentsverkiezingen in april zaten de radicale flanken flink in de lift. Maar doordat het onmogelijk was dat iemand anders dan een van de twee kandidaten uit de hoofdstroompresident zou worden, had stemmen op de extremisten geen consequenties.

Bij de parlementsverkiezingen van juni lagen de zaken anders. Als de extremisten toen hun prestatie tijdens de eerste ronde van de presidentsverkiezing hadden geëvenaard, zouden zij de wetgevende macht in Parijs in ongekende aantallen hebben bevolkt. Maar toen puntje bij paaltje kwam, lieten de kiezers hen links liggen. Het reactionaire Front National van Marine Le Pen behaalde slechts twee zetels in de 577 zetels tellende Assemblée Nationale [het Franse Lagerhuis, red.]. De hoofdstroom van centrumlinks en centrumrechts kreeg samen 560 zetels.

Een saaie verschuiving

Ten zuiden van de Pyreneeën zijn de economische omstandigheden veel slechter dan in Frankrijk. In Spanje zit een op de vier mensen zonder werk, terwijl er bijna maandelijks nieuwe bezuinigingsmaatregelen worden aangekondigd. Toch zorgden de verkiezingen van vorig jaar november voor een saaie verschuiving van de machtsverhoudingen van centrumlinks naar centrumrechts. Met uitzondering van de hardliners van het extreem linkse Izquierda unida, dat enigszins groeide (van 4 tot 7 procent), boekten de radicale partijen geen winst ten opzichte van de verkiezingen in 2007.

Portugal, de andere staat van het Iberisch schiereiland, is al meer dan tien jaar de traagst groeiende economie van West-Europa. De vorige verkiezingen vonden vijftien maanden geleden plaats, precies op het moment dat het land voor steun bij de EU en het IMF moest aankloppen. De regerende centrumlinkse partij moest ten opzichte van de verkiezingen daarvoor 9 procent inleveren. De winnaars van centrumrechts kregen er 10 procent bij. De aanhang van de flanken nam niet toe en niets wees erop dat de Portugezen terugverlangden naar het oude autoritaire regime.

Het antipolitieke effect van de crisis

In tegenstelling tot de meeste van zijn mediterrane buren heeft Italië tot op heden steun van buitenaf kunnen vermijden. Maar net als Portugal had het zelfs vóór 2008 al te kampen met een langdurige inzinking. Nu zakt de zwakke economie terug in een recessie. Verreweg het grootste politieke effect van de economische crisis was echter antipolitiek.

De beweging Cinque Stelle van internetactivist Beppe Grillokwam tijdens de lokale verkiezingen in mei vanuit het niets op en valt onmogelijk ergens in het politieke spectrum te plaatsen. Grillo huldigt extreme economische standpunten – een euro-exit en niet-aflossing van de staatsschuld – maar er zijn geen aanwijzingen dat hij of zijn beweging de basisbeginselen van de democratie willen ondermijnen.

En zelfs in Griekenland, waar de economische en politieke tekortkomingen het grootst waren, vond er minder geweld plaats dan we wellicht hadden mogen verwachten gezien de omvang van de malaise. Ondanks een lange geschiedenis van terrorisme zijn er geen politieke moorden gepleegd. Er zijn wel straatprotesten geweest, maar die waren niet gewelddadiger dan het oproer dat het land overspoelde in het jaar voordat de economie in een vrije val terechtkwam.

In Duitsland heeft men maar weinig gemerkt van de economische crisis en staat de werkloosheid op het laagste punt als we naar de afgelopen decennia kijken. De bevolking ergert zich mateloos aan de kosten die het redden van zwakke economieën van de eurolanden met zich meebrengt. Desondanks heeft geen enkele van de drie oppositiepartijen in het federale parlement zich op dit vlak tegen de regering gekeerd en een standpunt ingenomen dat mogelijk meer stemmen zal opleveren.

Buiten het Duitse parlement groeit het verzet tegen de reddingsoperaties onder zakenlieden en economen. Maar er zijn geen tekenen van een nieuwe groepering die zich tegen de euro en tegen noodsteun uitspreekt en die volgend jaar aan de federale verkiezingen mee wil doen. Net als in Italië was de belangrijkste politieke verandering in Duitsland antipolitiek: de Piratenpartij kreeg er voet aan de grond.

Finland vormt een van de weinige voorbeelden waar het politieke centrum aanzienlijk is verzwakt. De aanhang van de isolationistische Ware Finnen vervijfvoudigde bijna tijdens de verkiezingen van vijftien maanden geleden. Maar al zijn de Ware Finnenbekrompen en xenofoob, het isolement dat zij verkiezen, heeft maar weinig antidemocratische kenmerken.

Niet de jaren 30, maar 90 bieden uitleg

Buiten de eurozone ziet het beeld er in grote lijnen hetzelfde uit, met uitzondering van Hongarije, waar de democratische normen op de proef worden gesteld, en – meer recent – mogelijk ook Roemenië. Maar zelfs deze staten zijn nog ver verwijderd van een autocratie uit de jaren dertig.

Willen we begrijpen wat er nu gebeurt, dan kunnen we beter naar de jaren negentig dan naar de jaren dertig van de vorige eeuw kijken. De jaren negentig vormen de meest relevante historische parallel met onze tijd. In het eerste deel van dat decennium kregen de postcommunistische democratieën in Midden- en Oost-Europa enorme schokgolven te verwerken tijdens de overgang van een geleide economie naar een markteconomie. Veel bedrijfstakken die tijdens het communistische experiment werden ondersteund, stortten in. De levensstandaard zakte in elkaar met als gevolg dat de werkloosheid sterk toenam.

De voornaamste politieke reactie was geen massale steun voor de extremen, zoals in de jaren dertig, maar een bijna universele afkeer van de heersende machthebbers. Na de tientallen verkiezingen in de overgangslanden in de jaren negentig bleef vrijwel geen enkele regering in het zadel.

Dat is nu ook de realiteit in Europa. De kiezers verwerpen de zittende regeringen, niet de democratie of de waarden ervan. Dat laatste kan alleen gebeuren als de depressie groter wordt en blijft voortduren, wat helaas heel goed mogelijk is.