Hoe kunnen we de Duitsers ervan overtuigen dat we hun geld niet willen? Mario Monti heeft er zijn uiterste best voor gedaan in het interview dat gisteren in Der Spiegel verscheen. Steunend op zijn deskundigheid probeerde hij opnieuw uit te leggen dat wij voor de hulp aan Griekenland, Ierland en Portugal meer hebben betaald dan zij en dat het met de huidige rentestand op staatsleningen juist de Italianen en Spanjaarden zijn die de Duitsers spekken en niet andersom. Dit is niet gemakkelijk uit te leggen. In Duitsland veroorzaken de problemen van de eurozone nu niet alleen een massale ontgoocheling over het Europese project, zoals we ook in Italië zien. Er is ook sprake van een cultureel fenomeen dat een deel van de Duitse leidende klasse betreft, die geneigd is te denken dat niet – zo goed als – de rest van de wereld gelijk heeft, maar zij.

Italiaanse obligaties bieden gouden kansen

**De ontdekking dat Duitsland verdient aan het voortduren van de crisis heeft het tijdschrift Bild vorige week al met schreeuwende koppen aan zijn tamelijk volkse publiek laten weten. Zestig miljard euro tijdens de afgelopen dertig maanden, zo is uitgerekend. Diverse deskundigen achten dit vrij geloofwaardig. Toch heeft dit weinig veranderd. Populisten beroemen zich op dit meest recente bewijs van het succes van hun vaderland; de meerderheid doet alsof zijn neus bloedt.

Afgelopen vrijdag hebben in de New York Times enkele beurshandelaren haarfijn uitgelegd wat er op de markten gaande is. Ze weten dat de Italiaanse staatsobligaties met de huidige hoge rendementen gouden kansen bieden, maar ze blijven ze van de hand doen in plaats van ze te kopen uit angst dat bij hun collega’s een ‘tsunami van collectief pessimisme’ overheerst, waardoor Italië in groot gevaar kan komen.

Dat is de realiteit die veel Duitse economen ontkennen; het komt niet voor in hun theorie, dus het bestaat niet. Ze beweren dat rendementen van zes tot zeven procent op Italiaanse en Spaanse staatsleningen rationeel zijn, ze vinden het zelfs wel prima zo. Wat nu kwelt, is dat de Europese Centrale Bank (ECB) deze realiteit heeft erkend, alleen de vertegenwoordiger van de Bundesbank was het er niet me eens. Hier ligt het belang van de beslissingen van afgelopen donderdag.

Het nieuwe Duitse nationalisme reageert over het algemeen door het over een andere boeg te gooien, in een gevaarlijke kortsluiting die het midden houdt tussen verkiezingsdemagogie en dogma’s van een conformistische academische wereld. Ze beschuldigen de Zuid-Europese landen en Frankrijk ervan de ECB ertoe aan te zetten geld bij te drukken om de verspillingen van politici te financieren, zoals in hun verleden gebeurde. In Italië is deze onverantwoorde praktijk al in 1981 aan banden gelegd, tien jaar voor het Verdrag van Maastricht.**

Politici vroegen te vroeg om eurobonds

**Tegelijkertijd moeten we erkennen dat dit Duitse wantrouwen mede is aangewakkerd door verschillende gebeurtenissen in Italië. In de jaren negentig hadden de twee landen te kampen met gelijkaardige problemen; in de tien jaar daarna zijn de opeenvolgende regeringen in Berlijn in staat gebleken dit kwaad aan te pakken, die in Rome niet. Dat onze politici veel te vroeg om euro-obligaties riepen, verraadt hun wens dat de Duitsers een deel voor ons betalen.

Het is goed, maar tegelijk ook bizar, dat het compromis van de Raad van Bestuur van de ECB politieke voorwaarden verbindt aan de maatregelen om de markten in te tomen (juist omdat ze moeten worden gecorrigeerd zal er geen overtollig geld worden gecreëerd). We begeven ons op onbekend terrein, waar steeds moet worden nagegaan wat met goedkeuring van de burger moet worden besloten en wat moet worden overgelaten aan de specialisten. In beide landen moet er meer oog komen voor de geest dan voor de letter van de grondwetten die ons aan het eind van de jaren veertig de democratie hebben gegeven; de Europese Verdragen kunnen wel worden aangepast, indien nodig.**