Een paar maanden geleden werd ik geïnterviewd door een kleine, ronde man. Een Spaanse televisiepresentator, die ik nog nooit had gezien, maar die ieder kind in Spanje kent: Jordi Évole. Hij was vroeger de tafelheer van de presentator van een beroemde late-night-talkshow. De Spaanse Manuel Andrack. We ontmoetten elkaar op een kille zaterdagmiddag bij de Brandenburger Tor.

Évole wilde heel graag dat ik over Duitsland sprak – als zoon van Spaanse immigranten, maar vooral als Duitser. Ik moest uitleggen wat wij, de Duitsers, goed deden en wat zij, de Spanjaarden, verkeerd deden. Het programma van Évole behoort intussen tot de succesvolste van de Spaanse televisie. De man is onderzoeksjournalist en komiek. Wat verwachtte hij als antwoord?

Dat er in Spanje nu eenmaal geen sprake kan zijn van een serieuze economie, als die louter is gebaseerd op sinaasappels en de zon, en het volbouwen van de Middellandse Zeekust? Dat Spaanse voetbalverenigingen het ministerie van Financiën geen 750 miljoen euro schuldig mogen zijn? Dat de prestaties van Spaanse scholieren volgens het jongste PISA-onderzoek niet vooruit zijn gegaan, ondanks de recordhoogte van de belastingen vóór de crisis?

Ik heb de laatste tijd vaak aan dit gesprek gedacht, en aan de economische crisis in Spanje, en me afgevraagd of ik wel echt wist hoe het er in mijn land van herkomst aan toe ging.

Gelukzalige zomerherinneringen van een kind

Mijn ouders waren boeren in Andalusië. Zij zijn in de jaren zeventig naar Duitsland gegaan en hebben tot hun pensionering in een bandenfabriek in Hanau gewerkt. Mijn vader is vier jaar naar school geweest. Lesboeken had hij niet. De onderwijzer maakte gebruik van een oude encyclopedie. Mijn vader is tot de letter D gekomen, of misschien wel tot de F. In ieder geval was het een schande wat zijn land hem aan scholing aanbood. Op zijn zeventiende emigreerde hij.

Ik ben in Spanje geboren, heb een Spaanse naam, een Spaans spraaktempo en een Spaans paspoort, en ben blij dat Spanje Europees kampioen is geworden. Maar ik woon in Duitsland, ging hier naar school en werk hier ook nog steeds.

Mijn levendigste herinneringen aan Spanje zijn, ondanks latere bezoeken, ruim vijfentwintig jaar oud. Het zijn de gelukzalige zomerherinneringen van een kind. Het gezin van mijn ouders maakte deel uit van de karavaan van Spaanse gastarbeiders, die ieder jaar in volgepakte Opels naar het thuisland toog. Eerst door Frankrijk, vervolgens langs de Middellandse Zee, tot in het dorp van mijn ouders. Dertig uur in de auto, alleen stoppen om te tanken, mijn vader kettingrokend achter het stuur. De achterbank was voor mij, mijn twee broers en een koffer. Ik hield van die ritten.

Barcelona

Na het gesprek met Jordi Évole besloot ik die reis opnieuw te maken. Weer langs de kust, maar nu met meer tijd, om de mensen te spreken. Zij moesten mij maar eens uitleggen, wat er met dit land is gebeurd. Een land, waar ik al geruime tijd gek van werd. Alleen kon ik niet precies zeggen waarom. Het onvermogen om iets zinvols te produceren, de walgelijke bouwwoede, de brutaliteit waarmee hulp uit het Europese steunfonds werd verwacht?

De eerste echte grote Spaanse stad, die ik mij kan herinneren, is Barcelona. Hier begint mijn reis. Destijds was het niet de stad van de designhotels en de tapasbars in de Barri Gòtic, of van de zinzoekende studentes romanistiek, die hier Spaans leren. In mijn kindertijd was Barcelona de stad zonder ringweg. Die was toen nog niet aangelegd.

Mijn vader haatte de anarchie van het verkeer, de Seats en de Guardia Civil, die begin jaren tachtig niet meer de bescherming van Franco genoten, maar hun weerzinwekkende arrogantie nog niet waren kwijtgeraakt. Mijn moeder dwong ons de autoraampjes dicht te houden, ondanks de hitte. Ze zei dat dieven bij de stoplichten op Duitse auto's stonden te wachten. Ik haatte Barcelona.

De hororfilm en het sprookje

In 2012 is dat allemaal veranderd. Ik arriveer in de stad vlak nadat de Spaanse premier Mariano Rajoy Europa had gewaarschuwd dat de redding van de Spaanse bankensector wel eens 100 miljard euro zou kunnen gaan kosten. Nog niet zo lang geleden had hij beweerd dat Spanje nooit om steun zou vragen.

In het hotel kijk ik naar het journaal. Dat bestaat zoals gewoonlijk uit twee delen, een horrorfilm en een sprookje. Steeds meer spaarders nemen hun hele banksaldo op, de deelstaat Castilië-La Mancha sluit zeventig scholen, de werkloosheid bedraagt bijna 25 procent – dat is de horrorfilm. Het sprookje gaat over het Spaanse nationale voetbalelftal.

Wie hier al langer het nieuws volgt, begrijpt waarom ondertussen de helft van de zendtijd aan sport wordt gewijd. De kijkers zouden er anders gek van worden. Alles draait om de crisis, werkelijk alles: een bouwmarkt heeft tweehonderd vacatures, waarvoor zich twaalfduizend gegadigden melden. Academici verzwijgen hun diploma's bij hun sollicitatiegesprek om een betere kans te maken tegen minder gekwalificeerden. Stakende mijnarbeiders in Asturië voeren straatgevechten met de politie. De verkoop van brandkasten stijgt.

Dit is geen nieuws meer, maar terreur.