Krantenkoppen zo zwart als onweerswolken”: de grote crisis herinnert aan de vernietigende samenvatting die de Italiaanse schrijver Cesare Pavese (1908-1950) van de kranten maakte in andere tijden van onrust. Toen gloorde aan het einde van de Europese tunnel de hoop op vrede. Nu gloort de hoop op iets wat haalbaarder lijkt, en toch elke dag ongrijpbaarder en abstracter blijkt, namelijk de hoop op een zogenoemde ‘politieke unie’.

Leiders, economen en juristen vragen erom. De oproepen van de intellectuelen vermenigvuldigen zich. Maar niemand doet ook maar iets om dit doel openlijk kenbaar te maken. Nog steeds overheersen de taboes die ervoor zorgden dat woorden als ‘grondwet’, ‘federatie’ of zelfs ‘wet’ uit de Europese verdragen werden geschrapt.

Iedereen weet echter dat het scenario is veranderd. Er is een ‘Europese publieke ruimte’ gecreëerd. Maar het is geen ruimte van cohesie en een gemeenschappelijke publieke opinie, zoals die werd nagestreefd door de federalisten die over de grote traditie waakten. Het is nu een ruimte die wordt getekend door een negatieve perceptie van belemmeringen en zware belastingen ten gunste van ‘de anderen’: naar gelang men in het noorden of in het zuiden is zijn dat de armsten of de rijksten.

Het is het overblijfsel van een nieuw jus publicum europaeum waar rechten slechts een afgezwakte weerspiegeling van macht blijken. Het is dan ook niet verwonderlijk dat in deze ruimte de politieke tegenstanders van Europa en zijn instellingen steeds beter gedijen: niet als boosaardige bescherming tegen de crisis, maar alsof de crisis door Europa en zijn instellingen is gecreëerd.

Overal verzet tegen 'deze' EU

Nu merkt men dat besparingen en bezuinigingen, ongeacht hun noodzaak, de weg hebben geëffend voor politieke bewegingen die in hun strijd tegen ‘deze’ EU ook hun pijlen richten op haar constitutioneel erfgoed. Dit is wat er gebeurt bij de machtsstrijd in Hongarije en Roemenië. Maar de greep van de populistische eurosceptische anti-systeembewegingen is overal te voelen, van Duitsland tot Italië.

Een democratisch deficit dat van land tot land wordt overgedragen. Het is dit gemeenschappelijke democratische risico dat zichtbaar zou moeten zijn voor de Duitse rechters die (met alle ernstige gevolgen die we kennen) de verantwoordelijkheid op zich hebben genomen om hun oordeel over het van kracht worden van de laatste solidariteitsmaatregelen, die al door de Bondsdag zijn goedgekeurd, uit te stellen tot september.

Deze keer ligt het gelijk namelijk bij de parlementen die begrijpen dat ze de ‘uitzonderingstoestand’ moeten legitimeren (zoals zowel in de Bondsdag als het Italiaans parlement gebeurt). Dit is niet alleen nodig vanwege de druk van de markten, maar omdat ze in de laatste stappen van de Unie eindelijk een verandering zien. Ze zien dat er een proces op gang is gekomen dat zich niet alleen op de regels en hun naleving richt, maar ook op de macht van het web van instellingen.

Proces vol obstakels, zijsporen en verzet

Natuurlijk is dit een proces vol obstakels, zijsporen en verzet: toch zijn er al tot voor kort ondenkbare stappen gezet. Zoals de onderlinge verwevenheid tussen de begrotingsbevoegdheid (de bevoegdheid waarop de parlementen zijn geënt) en het ‘Europese semester’: de aanzet tot een begrotingsunie.

Of zoals de interparlementaire samenwerking: een Europees parlementarisme dat de tegenstelling tussen het Europees parlement en de nationale parlementen overwint en in plaats daarvan samenwerking creëert via inhoudelijke ‘conferenties’.

Of zoals de afschaffing van de vereiste eenparigheid van stemmen voor de inwerkingtreding van nieuwe gemeenschappelijke regels: nu worden deze van kracht met een goedkeuring door de meerderheid van de lidstaten.

Maar dit alles heeft alleen zin als het wordt opgenomen in een overtuigend verkiezingsverhaal voor de kiezers van 2014. Namelijk de idee dat men stemt voor een ander Europa, dat in staat is om de crisis niet alleen met een pakket regels, maar met gemeenschappelijke institutionele mechanismen aan te pakken: het euronationalisme.

Tijd genoeg voor essentiële stappen

Er is geen tijd – en misschien ook geen ruimte in dit loodzware klimaat – voor grootse grondwettelijke kunstgrepen die hoogst onzekere veranderingen van de Europese verdragen met zich mee zouden brengen. Maar er is tijd genoeg voor enkele essentiële stappen.

Ook zonder een wijziging van de Europese verdragen kunnen de lidstaten een ‘uniforme verkiezingsprocedure’ aannemen waarmee kandidaturen kunnen worden uitgewisseld en de grote Europese partijen pan-Europese lijsttrekkers kunnen presenteren. Dit zou betekenis geven aan een ruimte die niet uit angst bestaat maar uit – niet louter binnenlandse – politieke hoop.

Met gezamenlijke verkiezingsverklaringen zouden de lidstaten kunnen beloven om, net als de president van de Europese Raad, ook de voorzitter van de Europese Commissie door een meerderheid van het Europees Parlement te kiezen. Ook een presidentiële unie is mogelijk zonder aan de Europese verdragen te sleutelen.

Ernst lage verkiezingsopkomst

De lidstaten zouden de (niet-grondwettelijke) regels kunnen veranderen die nu zorgen voor de versnippering over de regio’s, de onzichtbaarheid en vaak ook verspilling van de middelen uit de Europese cohesiefondsen. Ze zouden deze centraal kunnen beheren, onder de strikte controle die ook voor de nationale begrotingen zal gelden, als instrumenten voor een gemeenschappelijk economisch beleid.

De (Europese en nationale) parlementen zouden samen kunnen afspreken om in de toekomst euronationale ‘conferenties’ en ‘congressen’ te houden over de grote Europese vraagstukken. Hiermee kan de kiezer duidelijk worden gemaakt dat richtsnoeren, controles en onderzoeken van elk parlement alleen zin hebben als ze het onderlinge verband van de problemen erkennen.

En dat de interparlementaire samenwerking, die al is opgenomen in de Europese verdragen, daarom de enige mogelijke vorm van parlementarisme is voor deze tijd. Kortom: uit een keten van institutionele solidariteit zouden in 2014, honderd jaar na het begin van de Eerste Wereldoorlog, de eerste concrete contouren van die zogenoemde ‘politieke unie’ kunnen worden geschetst. En de burger zou ervan worden overtuigd dat zijn stem voor Europa neerkomt op een daadwerkelijke politieke keuze. Want van alle crises zou een lage opkomst bij de Europese verkiezingen de ernstigste zijn.