In het Italiaanse weekblad L'Espresso staat iedere week een cartoon van tekenaar Francesco Tullio Altan waarop dikke figuren met grote neuzen te zien zijn. Het Museum van Satire en Karikatuur in Forte dei Marmi (Toscane) heeft een tentoonstelling aan Altan gewijd (van 30 juni tot 7 oktober). Op een van de geëxposeerde tekeningen zitten twee mannen met een hemd aan. De eerste zegt: “Italianen zijn te individualistisch.” De tweede antwoordt: “Wat kan mij dat schelen, dat moeten ze zelf weten." Hiermee heeft Altan twee kenmerken van de Italiaanse humor uitgebeeld: Italianen benoemen hun slechte eigenschappen én ze kunnen erom lachen.

De Italianen lachen om zichzelf: meedogenloos of ironisch, maar altijd met een zekere toegevendheid, en van het noorden tot het zuiden van het land. Ze vormen een onuitputtelijke bron voor zichzelf om onvervalst moppen te tappen. Hun vermeende of werkelijk bestaande ondeugden (verdeeldheid, ordeloosheid, geen gevoel voor het algemeen belang, gluiperigheid, enzovoort) geven aanleiding – als ze er niet onder gebukt gaan – om zichzelf ten tonele te voeren.

Het bij ons nagenoeg onbekende personage Ugo Fantozzi – in de film vertolkt door Paolo Villaggio – is een boekhouder die verstrikt raakt in tegenslagen. Hij vormt een perfect voorbeeld van dit ophemelen van slechte eigenschappen (luiheid, gewiekstheid, enzovoort). "Als je om Fantozzi lacht, dan lach je om jezelf", aldus Giovannantonio Forabosco, directeur van het Onderzoekcentrum op het gebied van humor in Ravenna (Emilia-Romagna).

Eeuwig sarcasme

Behalve het land van de vele klokkentorens is Italië ook een land waar de noorderlingen graag de spot drijven met de zuiderlingen, en andersom. Van de film 'Bienvenue chez les Ch'tis' [Welkom bij de Ch'tis, Frans kassucces over een directeur van een postkantoor die vanuit de Provence wordt overgeplaatst naar Noord-Frankrijk, red.] zijn in Italië twee remakes gemaakt die allebei even succesvol waren: 'Benvenuti al Sud' en 'Benvenuti al Nord'.

Maar dit op de kast jagen van bepaalde bevolkingsgroepen kan zich ook voordoen in gebieden die veel dichter bij elkaar liggen. Zo maken de inwoners van Bergamo graag de inwoners van Brescia (op veertig kilometer afstand) belachelijk. En in Florence drijven ze de spot met de inwoners van Sienna: twee Toscaanse steden die door eeuwen van strijd en geschiedenis tegenover elkaar zijn komen te staan.

Al in de negentiende eeuw onderzocht de dichter Giacomo Leopardi (1798-1837) het specifieke karakter van de Italiaanse humor in zijn werk 'Discorso sopra lo stato presente dei costumi degl'Italiani' [Discours over de huidige staat van de gewoonten van de Italianen, red.]. “Meer dan welk ander volk dan ook, lachen de Italianen om het leven, en zij lachen met meer waarachtigheid, innerlijke overtuiging, minachting en onbewogenheid, […] aangezien het leven in hun ogen veel minder waarde heeft dan in de ogen van anderen”, zo verklaarde hij. Hij zag in dit vermogen om de draak met elkaar te steken een teken van 'bewuste wanhoop', van een permanent sarcasme, dat tot een verslechtering van persoonlijke en sociale relaties leidt.

De typisch Italiaanse komedie, waar filmliefhebbers in de jaren zeventig verzot op waren, heeft deze satire, die tegen het onbehagen aanschuurt, overtuigend in beeld gebracht. De archetypen die er een rol in spelen, komen voort uit de ‘commedia dell'arte’ (de sluwe knecht, de onnozele gendarme, de gierige meester), die zelf weer incarnaties waren van de personages uit het Latijnse theater. Kortom, al meer dan tweeduizend jaar lachen de Italianen meedogenloos om elkaar. En dat zal niet gauw veranderen.

Lees ook deel 1 uit de serie Humor in Europa: Duitse satire, een goed georganiseerde traditie