Het is onmogelijk te voorspellen hoe en waar het allemaal zal eindigen. Maar iedere week die voorbijgaat in de grootste crisis die Europa ooit heeft beleefd, wordt almaar duidelijker dat Groot-Brittannië en de rest van de EU zich steeds verder van elkaar af bewegen.

Na drie jaar eurocrisis vraagt de Duitse regering al maandenlang om een herziening van de Europese verdragen om een federalisering van de eurozone te vergemakkelijken. Daarvoor is nodig dat de zeventien landen die de euro hebben ingevoerd hun soevereiniteit bundelen – of opgeven, afhankelijk van hoe je er tegenaan kijkt – om een soort Europese regering te kunnen vormen, met ruime bevoegdheden op het gebied van inkomsten (belastingen) en uitgaven. Groot-Brittannië staat daar helemaal buiten.

Vorige week ging de Europese Commissie akkoord met de Duitse blauwdruk en kondigde zij tevens nieuwe, problematische wetgeving aan die van de Europese Centrale Bank de politieman voor de Europese bankensector zal maken. Hier doet Groot-Brittannië evenmin aan mee.

Geïsoleerde positie Groot-Brittannië bestendigd

Deze week heeft het Duitse ministerie van Buitenlandse Zaken het federaliseringsstreven uitgebreid naar het terrein van de buitenlandse politiek en defensie, samen met tien andere Europese ministeries van Buitenlandse Zaken. Die zijn zorgvuldig uitgekozen om de niet-Britse Europese hoofdstroom te weerspiegelen: kleine en grote landen, binnen en buiten de eurozone, zowel uit West- als uit Oost-Europa. Het ligt voor de hand dat de consensus die deze elf landen zullen bereiken, door een meerderheid van de 27 lidstaten van de EU zal worden onderschreven. Ook hier heeft Groot-Brittannië part noch deel aan. Tot de elf landen behoren de grote landen Duitsland en Frankrijk, evenals Italië, Spanje en Polen – na Groot-Brittannië de grootste landen van de EU.

Kortom: de geïsoleerde positie van Groot-Brittannië wordt bestendigd, terwijl de kloof met de rest van Europa langzamerhand zo groot wordt dat zij nauwelijks nog kan worden overbrugd. De droefheid daarover lijkt groter te zijn dan de boosheid.

Er is brede sympathie voor de rol van het land in Europa, voor de kwaliteit van de Britse bijdrage op het gebied van het buitenlands, veiligheids- en defensiebeleid, voor het praktische liberalisme van het land, zijn rol bij het overeind houden van de vrijheden van de gemeenschappelijke markt, zijn anti-protectionistische instincten, en voor de relatieve kwaliteit van het slinkende leger Britse eurocraten.

Irritatie over gebrek aan teamgeest

Maar er is ook sprake van irritatie over de negativiteit, het gebrek aan teamgeest en de klaarblijkelijke bereidheid om de grootste Europese crisis ooit te misbruiken voor nationale of zelfs partijpolitieke doeleinden.

Het wordt voor de Britse regering steeds moeilijker bondgenootschappen met Europese landen te smeden die verder gaan dan ad-hoc-allianties over één specifiek onderwerp. Polen was bijvoorbeeld een van de drijvende krachten achter de radicale voorstellen van deze week. Tot een paar jaar geleden was dat land een natuurlijke bondgenoot van Groot-Brittannië op het Europese vasteland. Polen was de Fransen niets verschuldigd, omdat de regering in Parijs de uitbreiding van de EU in oostelijke richting terecht zag als een verwatering van de Franse invloed in Europa. Op grond van de geschiedenis moest Polen wel beducht zijn voor de Duitsers. Maar Polen heeft Groot-Brittannië laten vallen, omdat het nationaal belang meer gebaat zou zijn met het bereiken van een compromis met Berlijn.

Er bestaan nog steeds grote verschillen tussen de belangrijkste Europese landen over de euro, een toekomstige politieke federatie voor de eurozone en de overdracht van nationale bevoegdheden aan Europese instellingen – vooral tussen Duitsland en Frankrijk. Sommige dingen veranderen nooit.

Steeds meer tot toeschouwer gereduceerd

Maar dit betekent niet dat deze landen uit elkaar drijven. Het is eerder een meningsverschil over de voorwaarden om nader tot elkaar te komen. Het is een politiek proces waarbij Groot-Brittannië steeds meer tot een toeschouwer wordt gereduceerd.

Alles wijst erop dat de Europese verdragen binnen een jaar zullen worden bijgesteld om de overdracht van nieuwe soevereine bevoegdheden van de lidstaten aan Brussel mogelijk te maken. De inzet is te hoog om nu nog tegemoet te kunnen komen aan de bezwaren van de Britse premier David Cameron.

Hij zal erin moeten slagen opnieuw te onderhandelen over de voorwaarden van het Britse lidmaatschap van de EU – waarbij hij op weinig gunsten zal kunnen rekenen – of hij zal een Brits referendum moeten uitschrijven. Vanuit Brussel gezien is de vraag niet zozeer of dat referendum er zal komen, maar veeleer wat de vraag zal zijn die daarbij aan de kiezers zal worden voorgelegd.